Oktober de Rozenkransmaand

Koningin Rozenkrans

“Wees gegroet, gij vol van genade!”

Dat was de heerlijke groet, waarmee de engel Gabriël namens God zelf de openbaring van ’t ondoordringbaar geheim van de Menswording aan Maria moest inleiden. Kunnen we beter doen, dan in deze maand, waarin we die groet in ons dagelijkse Rozenhoedje herhalen, die woorden nader te beschouwen?

Als Maria in ’t nederige huisje van Nazareth in gebed verzonken was, omstraalde haar een hemels licht en een Aartsengel, een der hoogste hemelgeesten, staat eerbiedig voor haar en zegt: “Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met U.” Bij het vernemen van deze groet is Maria in haar nederigheid ontsteld: wat zou die groet betekenen? Maar als de engel haar Gods raadsbesluiten openbaart, spreekt zij haar fiat, en is zij de Moeder van God. De engel knielt in aanbidding voor haar neer, want nu staat hij voor zijn Koningin en de Moeder van zijn Schepper, de hoogste van alle schepselen. Het mensdom juicht, want een mens is nu God zelf, en een vrouw is vergoddelijkt, omdat zij de ware Moeder is van God. Is er wel een inniger vereniging van het schepsel met de Schepper denkbaar?

8395029942_4c828b0a51_b

Maar als Maria, als Moeder van God zó innig met God verenigd was, als een Moeder met haar Zoon, dan was zij in haar ziel en haar werken nóg nauwer met Hem verbonden. Deze vereniging geschiedt door de genade. De heiligmakende genade is immers dat bovennatuurlijk levensbeginsel, waardoor onze ziel in een hogere orde geplaatst wordt en onze werken worden vergoddelijkt, Gods eigen leven het onze is. Zij is de bron van alle bovennatuurlijke zieleschoonheid, waaraan hemelse bloemen bloeien. Die zieleschoonheid nu, dat levensbeginsel bezitten wij door de genade van het heilig Doopsel, en eeuwig zullen wij ons daarover verheugen als wij eens de ongeschapen schoonheid, God en het goddelijke van aanschijn tot aanschijn zullen aanschouwen. Ook de engelen bezitten haar, en begrijpend welk een oneindige weldaad zij daardoor ontvangen hebben, worden niet moede de Drie-éne God het driewerf Heilig toe te zingen.

Doch in geen schepsel bloeide dat leven hoger op dan in de Moedermaagd Maria: hoe dichter bij de genadebron, des te groter de genade, zegt de H. Thomas. Maar kon er wel iemand nauwer met Christus verenigd zijn dan zijn eigen Moeder? Daarom zien we dan ook alle deugden die aan de heiligmakende genade ontbloeien, op de meest harmonieuze wijze in Maria verenigd.

De beschroomde voorzichtigheid, haar maagddom eigen, belet haar naastenliefde niet over de bergen naar haar nicht Elisabeth te snellen om haar bij te staan. Haar nederigheid, die bij de verheven groet van de engel opschrikt, paart zich aan een heilige fierheid, waardoor zij bij de overweging van Gods weldaden zingt: ‘van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen’. En de hevige smart, die zij als de edelste aller moeders door het Lijden van haar Zoon ondervindt, wordt niet getemperd, maar verheven door een onwrikbaar sterkte, die haar doet staan aan de voet van het Kruis. Niet voor niets hebben de eeuwen haar geprezen als de genadevolle, de meest begenadigde, en niet voor niets noemt de Kerk haar de spiegel der eeuwige Gerechtigheid!

Sinds alle eeuwigheid had Gods Voorzienigheid haar verheven als de meest begenadigde van al Zijn schepselen, en vanaf het allereerste ogenblik van haar bestaan was zij de Onbevlekte, gevrijwaard van elke zondesmet, omdat zij was voorbestemd voor het Goddelijk Moederschap. Met haar Zoon, en door haar Zoon zou zij vlekkeloos rein een volkomen overwinning op de satan bevechten. Terecht noemt dus de overlevering haar de schuldeloze ongerepte, de onbevlekte reinheid, de roos door geen vorst geraakt, de reine dageraad van de eeuwige Zon. Ons hart jubelt als wij de H. Kerk in ’t officie van de Onbevlekte Ontvangenis horen zingen: Gij zijt geheel schoon, o Maria, en geen vlek is in u. Boven alle vrouwen op aarde zijt gij door de Allerhoogste God gezegend, o Maagd Maria! Gij zijt de glorie van Jerusalem, de blijdschap van Israël, gij zijt de eer van ons volk!

Dit leert ons dus de engel als hij Maria ‘vol van genade’ noemt.

En de Moeder Gods, vol van genade, is tegelijk ook de uitdeelster van alle genade die God ons wil geven. Op Golgotha stond Zijn Moeder onder het Kruis: zij stond daar, en bracht met haar Zoon het grote offer dat geheel het mensdom verlossing bracht. En als de grote Lijder aan het kruis met stervende lippen zegt: ‘Vrouwe, ziedaar uw zoon’, dan stelt Hij haar aan als uitdeelster van alle gaven, die Hijzelf als bovennatuurlijke Vader van ’t mensdom verdiende.

De genade is niet alleen het beginsel van een hoger leven hier op aarde, zij is ook de kiem der eeuwige zaligheid, en hoe groter de genade, des te heerlijker de zaligheid die eruit opbloeit. Daarom verwondert het ons ook niet, dat Maria, bij haar verscheiden uit dit leven, de koren der engelen en aartsengelen voorbij snelt, steeds hoger en hoger in de hemel doordringt, om uiteindelijk te zetelen naast de troon van God. En daar dringen onze lofprijzingen door tot voor de troon van de Hemelkoningin, onze Moeder, als wij met de H. Kerk mee jubelen: Koningin des hemels, verheug U, Alleluja! Bid God voor ons, Alleluja!

ros1-1-medium-01-01

En zo herhalen we deze Oktobermaand alsmaar de groet van de engel, en overwegen de grootheid van Maria’s Moederschap, bewonderen de volheid van haar genade, en ontvangen van de rijkdom van haar genade die zij zo graag aan haar arme kinderen uitdeelt. Het is nog nooit gehoord, dat Zij iemand in de steek liet, die tot haar zijn toevlucht nam. Zij zal ons helpen in alle nood, maar vooral ons de genade verwerven van de eindvolharding en van de eeuwige zaligheid: zij zal bidden voor ons, arme zondaars, nu en in het uur van onze dood.


Copyright © 2016 - 2018 Centro Librario Sodalitium