Voor uw gebedsleven

Over de mistroostigheid

(naar de H. Alfonsus van Liguori)

Om de ziel te zuiveren van elke vorm van eigenliefde, en om haar te doen groeien in de ware liefde tot Hem, kan God Zijn uitverkoren zielen de geestelijke troost onthouden in het gebed en in haar geestelijke oefeningen. Wij zullen hier zien hoe de ziel zich moet gedragen in dergelijke omstandigheden, wanneer de ziel vertroosting vindt in het gebed, maar ook wanneer de ziel een somtijds langdurige beproeving van troosteloosheid moet doormaken.

Meester

Men bedriegt zich, zegt de Heilige Franciscus van Sales, wanneer men zijn godsvrucht wil beoordelen volgens de inwendige troost, die men gewaar wordt. De ware godsvrucht bestaat in het vaste besluit, om alles te volbrengen, wat aan God behaagt. God trekt de zielen welke hij het meest bemint, door dorheid tot zich. De gehechtheid aan onze ongeregelde neigingen belet ons het meest de ware vereniging met God. Vandaar dat, wanneer de Heer een ziel tot Zijn volmaakte liefde wil trekken, Hij haar tracht te ontdoen van alle gehechtheid aan de geschapen goederen. Zo ontneemt Hij haar dan eerst tijdelijke goederen, wereldse vermaken, eer, vrienden, bloedverwanten en lichamelijke gezondheid. Door dergelijke middelen onthecht Hij haar van al het geschapene, zodat zij al haar neigingen alleen op Hem vestigt.

Opdat zij zich vervolgens zou hechten aan de geestelijke goederen, doet Hij haar in het begin vele vertroostingen smaken, en geeft haar overvloed van tranen en tedere godsvrucht, zodat de ziel zich daarop van alle zinnelijke genoegens tracht te verwijderen, en zich zelfs zoekt te kastijden door werken van boetvaardigheid, door vasten, door het dragen van ruwe klederen, en lijfkastijdingen. In dat geval is het nodig, dat de biechtvader haar in toom houdt, en haar verbiedt die verstervingen te verrichten, of tenminste niet alle te veroorloven welke zij verlangt, omdat zo iemand zeer gemakkelijk door overdrijving zijn gezondheid zou kunnen schaden. Dit is een list van de duivel. Wanneer deze ziet dat iemand zich aan God overgeeft, en bemerkt dat God hem met Zijn liefkozingen troost die Hij gewoon is aan de beginnelingen te schenken, dan tracht die vijand hem ten onder te brengen door overdreven boetewerken, opdat hij zich daardoor een ziekte op de hals zou halen, en zo niet alleen zijn boetvaardigheid, maar ook het gebed, de Communie en al zijn godvruchtige oefeningen achterwege laat, en zo tot zijn vorig leven zou terugkeren.

Daarom moet de biechtvader het plegen van boetewerken aan zulke personen zeer spaarzaam toestaan en hen in tegendeel vermanen, om zich inwendig te versterven door met geduld versmadingen en tegenspoed te verdragen, door te gehoorzamen aan haar overheid, door de nieuwsgierigheid in het zien en het horen te bedwingen, en dergelijke zaken meer. (De inwendige verstervingen zijn het meest noodzakelijk tot de volmaaktheid; doch de uitwendige zijn daarom niet minder nodig. De H. Vincentius van Paulo zei, dat wie de uitwendige verstervingen niet beoefent, zich noch door inwendige, noch door uitwendige versterven zal. De H. Joannes van het Kruis zegt, dat een biechtvader, die de kastijdingen van het vlees veracht, al zou hij wonderen verrichten, toch geen geloof zou verdienen. Doch keren we naar ons punt terug:)

Wanneer een ziel zich aan de Heer geeft, en in het begin het aangename smaakt van de voelbare vertroostingen, waarmee de Heer haar tot zich tracht te trekken, om haar alzo van de aardse genoegens te onthechten, dan verwijdert zulk een ziel zich van de schepselen en hecht zij zich aan God. Evenwel geeft zij zich aan God op een gebrekkige wijze, meer getrokken door die geestelijke vertroostingen, dan door een oprechte wil om aan God genoegen te geven. Zij bedriegt zich wanneer zij gelooft, dat naarmate zij meer behagen vindt in haar godsvrucht, zij ook God des te meer bemint. Vandaar dat, wanneer zij gestoord wordt in die oefeningen, waarin zij haar geestelijk voedsel vond, en zij andere werken moet verrichten volgens de gehoorzaamheid of uit liefde of wegens de plichten van staat, zij zich daarover bedroeft.

Het is een algemeen gebrek van onze ellendige mensheid, dat wij in elke daad onze zelfvoldoening zoeken. Wanneer men in zijn godsvruchtige oefeningen niet meer die genoegens smaakt, dan vermindert men deze oefeningen, en terwijl men ze van dag tot dag vermindert, laat men ze soms uiteindelijk geheel achterwege. Dit is het ongeluk van vele zielen, die door God tot zijn liefde geroepen, op de weg van de volmaaktheid beginnen te wandelen; zij volgen deze weg zolang de geestelijke troost voortduurt, maar zodra deze ophoudt, verlaten zij alles en keren naar hun vorig leven terug. Wij moeten ons overtuigd houden, dat de liefde tot God en de volmaaktheid niet bestaan in een teder gevoel en in vertroostingen, maar in het overwinnen van de eigenliefde en in het volgen van de Goddelijke Wil. De H. Franciscus van Sales zegt: God is even zo beminnelijk wanneer hij ons beproeft, als wanneer hij ons troost.

Het is geen grote deugd, in die staat van troost zich te onthouden van zinnelijke genoegens, en beledigingen en tegenspoed te verdragen. Tijdens die zoetigheden verdraagt de ziel alles, maar zij verdraagt dan dikwijls alles meer wegens de zoetigheden welke zij geniet, dan uit de kracht van een ware liefde tot God. Daarom trekt de Heer zich terug wanneer hij de ziel in de deugd wil bevestigen, en ontneemt hij haar het genot van die voelbare vertroostingen, ten einde haar alle gehechtheid te ontnemen aan haar eigenliefde, die zich in dit genot vergastte. Vandaar ook dat, terwijl een ziel eerst vreugde voelde in het verrichten van haar godsvruchtige oefeningen, van haar toewijding aan God, in haar vertrouwen en liefde tot God, dat zij later, wanneer die vertroostingen ophouden, diezelfde oefeningen met koelheid en moeite verricht, en verdriet voelt in de godsvruchtigste oefeningen, in het gebed, in de geestelijke lezing, in de H. Communie, ja zelfs in dat alles niets dan duisternis en angst gewaar wordt, en het haar toeschijnt dat alles verloren is. Zij bidt en bidt, en is neerslachtig, en het schijnt haar als wilde God haar niet verhoren.

hc147a

Wat te doen in dergelijke omstandigheden? Hoe zich te gedragen, wanneer de ziel vertroosting vindt in het gebed, maar ook wanneer de ziel een somtijds langdurige beproeving van troosteloosheid moet doormaken?

Wanneer de Heer ons door zijn barmhartigheid vertroost door een voelbare godsvrucht, en Hij ons de tegenwoordigheid van Zijn genade doet gevoelen, dan moet men die Goddelijke vertroostingen niet van de hand wijzen, gelijk sommigen dit ten onrechte beweerd hebben. Neen, nemen wij deze dankbaar aan, maar zorgen wij tegelijk, dat wij daarbij niet stilstaan enkel om deze te genieten en ons in het gevoel van die inwendige vertroostingen te verlustigen: want dit noemt de H. Joannes van het Kruis een geestelijke gulzigheid, die onvolmaakt is en aan God niet behaagt. Doen wij ons best om dat zinnelijk genot, dat wij in die zoetigheden smaken, uit onze gedachten te verbannen. En wachten wij vooral van te geloven dat God ons die gunsten bewijst, omdat wij ons beter dan anderen jegens Hem gedragen. Zulk een gedachte van ijdelheid zou de Heer noodzaken om zich geheel van ons terug te trekken, en ons in onze ellende te laten. Wel moeten wij Hem dan vurig bedanken, omdat zulke geestelijke vertroostingen grote gunsten zijn, die God aan de zielen schenkt en die alle rijkdommen en alle tijdelijke eer verre overtreffen. Evenwel moeten wij ons niet bezig houden met behagen te scheppen in die voelbare genoegens, maar ons vernederen door ons de zonden van ons vorige leven voor ogen te stellen. Wij moeten alsdan geloven, dat de bewijzen van Gods liefde louter uitwerksels zijn van goedheid, en dat de Heer ons misschien door die vertroostingen begint te versterken, opdat wij daarna met geduld elke grote kwelling, die Hij ons wil toezenden, zouden verdragen. Daarom moeten wij ons dan aanbieden om alle uitwendige en inwendige smarten te lijden, welke Hij ons zal toezenden, gelijk ook alle ziekten, vervolgingen of ook geestelijke mistroostigheid, Hem zeggende: Zie mij hier, Heer! Doe met mij en met alles wat mij toebehoort, volgens uw welbehagen; geef mij de genade van U te beminnen en Uw Wil op volmaakte wijze te volbrengen; ik vraag U niets anders.

Maar wat doet God, die wil dat de ziel nog meer gezuiverd wordt en van alle zinnelijke genoegens onthecht zal zijn, teneinde haar door een zuivere liefde geheel met zich te verenigen? Hij plaats haar in de smeltkroes der troosteloosheid, hetgeen bitterder is dan alle uit- en inwendige smarten, die iemand kan lijden. Hij laat haar in dikke duisternissen, te midden waarvan het schijnt dat de ziel God niet meer vindt. Zelfs staat God soms toe, dat de zij bovendien nog gekweld wordt door sterke zinnelijke bekoringen, gedachten van onzuiverheid, ongeloof, van wanhoop, of zelfs van haat tegen God, terwijl het haar toeschijnt, dat God haar van zich verstoten heeft en haar gebeden niet meer aanhoort.

Wanneer nu een ziel die God liefheeft, dit ondervindt, moet dit haar niet beangstigen: zo vele kwellingen en bekoringen, zo vele pogingen van de boze vijand, zijn nog geen vrijwillige handelingen, en daarom ook geen zonden. Een ziel die Jezus Christus waarlijk bemint, stemt niet toe in die bekoringen, maar weerstaat ze. Doch door de duisternissen waarin zij zich bevindt, weet zij niets te onderscheiden, raakt in verwarring, en omdat zij vreest dat zij beroofd is van de genade, is zij in angst en teneergeslagen. Maar een goede biechtvader onderscheidt intussen zeer spoedig, dat bij de ziel die aldus door God beproefd wordt, alles slechts angst en vrees en geen waarheid is.

De Heilige Joannes van het Kruis schreef aan een door droefheid beproefde ziel het volgende, om haar te vertroosten: Gij zijt nooit in een betere toestand geweest dan op dit ogenblik, omdat gij nooit zo vernederd en van de wereld zo zeer onthecht zijt geweest. En nooit heeft men u als zo nietig beschouwd, als gij zelf thans meent te zijn. Nooit zijt gij ook zo onthecht geweest van uzelf, en hebt gij zo weinig uzelf gezocht. Kortom, denken wij niet, dat wij meer door God bemind worden, wanneer wij meer godsvrucht gevoelen, omdat de volmaaktheid niet dáárin bestaat, maar wel in het versterven van zijn eigen wil, om die te verenigen met de wil van God.

In de staat van troosteloosheid moet de ziel dus geen gehoor geven aan de duivel, die haar inblaast dat God haar verlaten heeft, en evenmin moet zij het gebed verzuimen. De duivel zoekt dit te bewerken, om haar vervolgens in de afgrond neer te storten. De H. Theresia van Avila zegt: De Heer beproeft Zijn beminde zielen met dorheid en bekoringen. Wanneer deze dorheid ook het ganse leven blijft voortduren, moet de ziel nooit het gebed achterwege laten. Zij zal de tijd zien aanbreken, waarop haar zeker alles goed zal beloond worden. In zulke staat van droefheid, moet men zich vernederen door de gedachte, dat men verdient zo behandeld te worden, wegens de beledigingen die men God heeft aangedaan. Men moet zich vernederen en zich aan de Goddelijke Wil overgeven, zeggende: Zie mij hier, o Heer! Geef mij Uw genade, maak dat ik U beminne, en doe verder met mij gelijk het U behaagt.

Wanneer de ziel zich dus in een zware mistroostigheid bevindt, moet zij niet verlangen te voelen hetgeen zij wil: namelijk Gods liefde en Zijn genade. Het is genoeg dat zij het wil, met het uiterste van haar wil; en zo moet zij zich geheel en al in de armen der Goddelijke goedheid overgeven. O, hoe aangenaam zijn aan God dergelijke oefeningen van vertrouwen en van overgeving, te midden der duisternissen van deze verlatenheid! Laten wij daarom vertrouwen stellen op God, die, gelijk de H. Theresia zegt, ons meer bemint, dan wij onszelf liefhebben.

 

“Schenk mij slechts Uw liefde met Uw genade, en ik ben rijk genoeg, en verlang niets anders meer!”
 (“Ontvang Heer” van de H. Ignatius)

 

Copyright © 2016 - 2018 Centro Librario Sodalitium