“Naast het kruis van Jezus nu, stond Zijn Moeder” (Joannes 19, 25)

Mater Dolorosa, Sacro Monte di Varallo
In deze maand zullen wij een nieuw soort van martelaarschap beschouwen: een moeder namelijk, die bestemd is om een onschuldige Zoon te zien sterven, als een booswicht gevonnist, op een schandelijk galgenhout. Deze moeder is Maria, die met het grootste recht door de H. Kerk wordt genoemd: Koningin der Martelaren; ja, met recht, omdat Maria bij de dood van Jezus Christus een veel smartelijker marteling heeft doorstaan, dan al de heilige martelaren geleden hebben, toen zij wreedaardig ter dood werden gebracht.
De marteling van de Allerheiligste Maagd was zonder gelijken. Zoals de profeet Jeremias sprak: Met wie zal ik u vergelijken? Of aan wie u gelijk stellen, o dochter van Jerusalem?… Uw droefheid is onmetelijk als de zee, wie zal u genezen? (Klaaglied 2, 13) Nee, de hevigheid der smarten van Maria kan niet vergeleken worden met de pijnen van al de martelaren. Bij de andere martelaren was de pijn in het vlees, maar Maria leed haar marteling in haar hart, in haar ziel; want in haar werd de voorzegging bewaarheid van de H. Simeon: Een zwaard van droefheid zal uw eigen ziel doorboren (Lc. 2, 35).
De H. Antoninus zegt dat, terwijl de andere martelaren hun eigen leven opofferden, de Allerheiligste Maagd haar martelaarschap voltrok door het leven op te offeren van haar Zoon, die zij veel meer beminde dan haar eigen leven. Dit was de oorzaak waarom haar smart elke andere smart overtrof, welke ooit door een sterveling op aarde is geleden. Waar de H. Augustinus spreekt over de moeder van de zeven Makkabese broers, die tegenwoordig was bij de marteldood die haar zonen ondergingen, dan zegt hij, dat de liefde haar al de folteringen deed lijden, welke ieder van haar zonen afzonderlijk had uitgestaan. Maria leed zeker meer bij het zien van de pijnen van haar Zoon, dan wanneer al die pijnen aan haar eigen lichaam waren aangedaan. De H. Bonaventura zegt dat al de wonden die verspreid waren over het lichaam van Jezus, verenigd waren in het hart van Maria.
De H. Laurentius Justinianus beschouwt Jezus terwijl Hij met Zijn kruis naar de Calvarieberg gaat, en dan, bij het zien van Zijn bedroefde Moeder die Hem volgt, haar toeroept: Ach, mijn moeder, waar gaat gij heen? Gij zult door mijn kruisiging gekruisigd worden, en uw lijden zal mij een kruisdood zijn. En toch houdt de liefdevolle moeder niet op Hem te volgen, hoezeer zij dan ook weet dat de tegenwoordigheid bij Zijn dood haar een smart zal veroorzaken, groter dan elke soort van dood. Daarom vraagt de H. Bonaventura, wanneer hij Maria tegenwoordig ziet bij haar stervende Zoon: Zeg mij o Koningin, waar stond gij toen? Stond gij alleen naast het kruis? Neen, gij waart met uw Zoon aan het kruis geslagen. En Riccardus zegt op de woorden van de Zaligmaker bij Isaïas, Ik heb de wijnpers alleen getreden, en geen man van het volk is met mij (63, 3): Heer, hebt Gij in uw lijden niet een man die U vergezelde, weet dan dat een vrouw bij U blijft, en die vrouw is Uw moeder, die in haar hart alles lijdt, wat Gij doorstaat in Uw lichaam.
Om de dood van de andere martelaren voor te stellen, schildert men ze af, ieder met het werktuig van zijn lijden. Zo ziet men de H. Andreas met het kruis, de H. Paulus met een zwaard, de H. Laurentius met een rooster. Maar Maria wordt voorgesteld met haar Zoon, dood in haar armen. Omdat haar Zoon zelf het werktuig van haar martelingen was, daar het medelijden met haar Zoon haar koningin maakte der martelaren.
De smart van Maria in het lijden van haar Zoon was zó hevig, dat van alle mensen zij alleen in staat was, om waardig te lijden met de dood van een God die mens geworden was uit liefde tot de mensen.
De marteling van de allerheiligste Maagd was zonder enige troost. Zeker leden de martelaars in de folteringen die hun door de tirannen werden aangedaan; maar God, die Zijn dienaren nooit verlaat, liet hen ook in hun ogenblikken van lijden niet zonder troost. De liefde tot God die in hun harten brandde, maakte al hun pijnen zoet en aangenaam. Zo leed een H. Vincentius toen hem op de pijnbank het vlees met ijzeren haken werd afgescheurd en hij met gloeiende ijzers werd gebrand; maar, zegt de H. Augustinus, deze heilige sprak met zoveel verachting over de pijnen, dat een ander scheen te lijden en niet degene die sprak. Een H. Bonifacius leed, toen zijn lichaam met ijzers werd ontvleesd en men hem scherpe punten tussen het vlees en de nagels stak en gesmolten lood in zijn mond had gegoten: toch kon hij met dat al niet ophouden Jezus Christus luid te danken dat hij uit liefde tot Hem mocht lijden. Ook een H. Laurentius leed, toen hij op het rooster werd gebraden; maar, zegt de H. Augustinus, de liefde die binnen in hem brandde maakte dat hij de pijn van het vuur buiten niet voelde, en zelfs niet de dood. En zo voelden de heilige martelaren hun pijnen minder, naarmate hun liefde groter was tot Jezus Christus. Vandaar ook dat het in hun lijden genoeg was, zich te herinneren aan het lijden van Jezus, om getroost te worden.
Bij Maria had juist het tegendeel plaats, omdat de pijnen van Jezus de oorzaak waren van haar marteling, en de liefde tot Jezus haar enige beul was. Hier moeten wij met Jeremias uitroepen: Uw droefheid is onmetelijk als de zee, wie zal u genezen? Immers, gelijk de zee bitter is, zo was ook het hart van Maria vol van bitterheid zonder een druppel troost. Wie zal u genezen? Alleen haar Zoon kon haar troosten en genezing brengen aan haar wonden. Maar hoe zou Maria van haar gekruisigde Zoon troost hebben kunnen ontvangen in haar smart, daar haar Zoon door de liefde die zij Hem toedroeg, juist de oorzaak was van haar marteling? Om daarom een denkbeeld te hebben van de grootheid van de smart van Maria, moeten we eerst begrijpen hoe groot de liefde was, die Maria haar Jezus toedroeg. Maar wie zal ooit die liefde kunnen kennen? Zoals men geen liefde van enig schepsel tot God vindt die gelijk is aan die van Maria, zo vindt men ook geen droefheid die gelijk is aan haar smart.
(naar de Heilige Alfonsus Maria van Liguori)
Tweet