Gewetensonderzoek voor de Biecht

Gewetensonderzoek voor alle standen

verloren_zoon

Voorwoord

Dit plan van gewetensonderzoek is een bescheiden, eenvoudige bijdrage tot gewetensvorming. Aan het vraagstuk van de gewetensvorming wordt thans meer dan ooit een bijzondere aandacht gewijd. En niet ten onrechte. Wordt er niet gezegd, ja tot vervelens toe herhaald: Hoe oppervlakkig biechten toch de mensen! Hoe licht gaan zij over allerlei zonden heen! Zo is het inderdaad, met als jammerlijk gevolg dat stilaan het geweten in slaap gewiegd wordt en het er de schijn van heeft,  dat veel zogezegde katholieke of christelijke mensen weinig of geen geweten meer hebben.

Dit boekje wil meehelpen om het geweten wakker te houden of wakker te schudden, door te wijzen niet alleen op de geboden van God en van de H. Kerk, maar ook en vooral op de zogenaamde plichten van staat, de beroeps- of ambtsplichten.  De biechteling steekt het op zak als hij te biechten gaat, of vindt het in de kerk bínnen zijn bereik. Zo zal hij kunnen doen wat de Catechismus voorhoudt, zo niet voorschrijft in nr. 413. Een kwartiertje voorbereiding is iedere goede biecht wel waard.

Laten we het proberen, schaden zal het in geen geval.

F. Darcis, Pastoor.
Veulen, 2/2/1948


 

1. Algemeen gewetensonderzoek over de Geboden van God en van de H. Kerk

 

God H. Geest, verlicht mijn verstand opdat ik mijn zonden ken en er een oprecht berouw over heb. Geef mij de moed om ze openhartig te biechten en de sterkte om goede voornemens te maken en te houden. Heer Jezus, mijn Verlosser, wees mij, arme zondaar, genadig en was mijne ziel rein in Uw heilig Verlossingsbloed. H. Maagd Maria, help uw kind opstaan uit de zonde. Leid mij verder op de weg der genade en der zaligheid. Mijn heilige Bewaarengel, bid voor mij.

Onze Vader. Weesgegroet.

 

Eerste gebod : Bovenal bemin één God

Ik heb de laatste keer slecht gebiecht, doodzonden verzwegen, geen berouw gehad.

Ik heb gebiecht zonder ernstige voorbereiding.

Ik heb slechte communies gedaan, gegeten, gedronken vóór de communie.

Ik heb verzuimd mijn penitentie te volbrengen.

Ik heb aan het bestaan van God vrijwillig getwijfeld, een of ander geloofspunt niet aanvaard of in twijfel getrokken.

Ik heb mij daarop beroemd tot ergernis van anderen.

Ik heb boeken, dagbladen, die tegen geloof en Kerk geschreven zijn, gelezen, verspreid.

Ik ben zonder ernstige reden met ongelovigen omgegaan, en heb aldus mijn geloof in gevaar gebracht.

Ik heb gesproken tegen het geloof, de Kerk, de priesters.

Ik heb mij aangesloten bij een antigodsdienstige vereniging van socialisten, communisten, liberalen, vrijmetselaars.

Ik heb voor zulke vereniging propaganda gevoerd.

Ik heb mij schuldig gemaakt aan bijgeloof door in acht te nemen : bijgelovige gebruiken, bijgelovige geschriften te lezen, te rade te gaan bij tovenaars, kaartleggers, daarbij misschien nog ergernis gevend.

Ik heb tegen God gemord, aan Zijn barmhartigheid getwijfeld, vermetel op Zijn goedheid vertrouwd en daarom meer gezondigd.

Ik ben vrijwillig in staat van doodzonde blijven voortleven, vrijwillig blijven voortleven in een naaste gelegenheid van zonde.

Ik heb gevoelens van haat, van afgekeerdheid van God onderhouden.

Ik heb Gods wetten en geboden gehaat omdat zij mij beletten te zondigen.

Ik heb mijn gebeden totaal verzuimd, ik ben nalatig, vrijwillig verstrooid, onaandachtig geweest in mijn gebeden.

Ik heb de dienst van God niet ter harte genomen en heb weinig geijverd voor mijn zielenzaligheid, voor die van anderen.

Ik ben oneerbiedig geweest in de kerk.

Ik heb God niet aanbeden, Zijn beschikkingen veracht, mij aan Zijn H. Wil niet onderworpen.

Ik ben hovaardig geweest en heb anderen versmaad en veracht.

 

Tweede gebod: Zweer niet ijdel, vloek noch spot

Ik heb een valse eed gedaan voor het gerecht of daarbuiten, God aldus tot getuige genomen van een leugen.

Ik heb zonder wettige reden een eed gedaan ; onder eed beloofd wat zonde is.

Ik heb godslasteringen uitgesproken (dat is : kwaad gesproken van God, van de Heiligen, van heilige zaken; God aansprakelijk gesteld voor ongeluk of tegenslag.)

Ik heb gevloekt, (dat is : kwade wensen gedaan tegen God, de Heiligen, de Kerk, de kerkelijke overheid, enz.)

Ik heb gespot met Godgewijde personen of zaken, dezelve geslagen, vernield, beschadigd.

Ik heb godvruchtige mensen wegens hun deugd uitgelachen, benijd.

Ik heb de naam van God ijdel gebruikt, ik heb er de gewoonte van.

Ik heb een belofte aan God gedaan, niet gehouden, d.i. een goed werk, waartoe ik mij tot zonde verplicht had, zonder genoegzame reden niet volbracht.

Ik heb godslasteringen aanhoord zonder verzet, noch afkeuring.

 

Derde gebod: Heilig steeds de dag des Heren

Ik heb ‘s zondags of op een van de vier geboden feestdagen, zonder wettige reden slafelijk werk verricht, door anderen slafelijk werk laten doen.

Ik heb zonder wettige reden de H. Mis verzuimd, of door mijn schuld een belangrijk deel van de H. Mis verzuimd.

Ik ben in de H. Mis vrijwillig verstrooid geweest en heb anderen verstrooid.

Ik heb de dag des Heren onteerd door slechte vermaken, dronkenschap, enz.

 

Vierde gebod: Vader, moeder zult gij eren

Ik ben ongehoorzaam geweest aan mijn ouders of oversten.

Ik ben tegen hen oneerbiedig, ondankbaar geweest; ik heb kwaad van hen gesproken, hen bespot of bedreigd.

Ik heb mijn ouders of oversten kwaad gewenst of aangedaan, zelfs de dood.

Ik heb hen door mijn slecht gedrag bedroefd, hen vergramd, geslagen.

Ik heb mijn ouders in tijdelijke nood gelaten, als ik hen kon helpen.

Ik heb mij over mijn ouders geschaamd.

Ik heb hen in hun geestelijke nood niet bijgestaan ; ik heb voor mijn ouders (levende of overleden) niet gebeden; ik heb hun niet tijdig de laatste H. Sacramenten laten toedienen.

Ik heb in vijandschap geleefd met mijn ouders of oversten.

Ik heb broers en zusters of anderen aangespoord tot verzet of opstand tegen ouders of oversten.

Ik ben ondankbaar geweest jegens mijn weldoeners.

Ik heb oude van dagen verstoten, bespot, mishandeld.

 

Vijfde gebod: Dood niet, geef geen ergernis

Ik heb mijn gezondheid benadeeld door overdaad in eten, drinken, roken, door onnodig overwerk, door onvoldoende lichaamsverzorging.

Ik heb mijn leven zonder voldoende reden in gevaar gebracht, bijvoorbeeld : door gevaarlijke spelen, enz.

Ik heb aan de gezondheid van anderen geschaad door overdreven arbeidseisen, door hen in ongezonde arbeidsvoorwaarden te doen werken.

Ik heb met anderen getwist, hen beledigd, geslagen, gedood.

Ik heb anderen bespot, verwenst, getergd, kwaad gemaakt.

Ik heb mij kwaad gemaakt, in gramschap slagen gegeven, verwensingen uitgesproken tegen mens of dier.

Ik heb hulp geweigerd aan de evenmens in nood, geen aalmoezen gegeven naar mijn vermogen.

Ik heb haat gedragen, nijd gekoesterd tegen de naaste.

Ik heb wrok bewaard, ik ben op wraak bedacht geweest, ik heb mij gewroken.

Ik ben hardvochtig geweest tegen de naaste.

Ik heb mijn leven en het leven van anderen vergald.

Ik heb mij verheugd over het ongeluk en de tegenspoed van anderen; ik ben bedroefd geweest over hun geluk.

Ik heb twist en tweedracht gezaaid, ruzie gestookt.

Ik heb geweigerd mij met mijn vijand te verzoenen; ik heb het ongelijk mij aangedaan, niet van harte willen vergeven; ik heb kwaad met kwaad willen vergelden.

Ik heb ergernis gegeven aan anderen, aan kinderen, door slechte voorbeelden, lichtzinnige gesprekken enz.

Ik heb anderen tot zonde verleid, het kwaad niet belet, dat ik beletten kon.

Ik heb anderen van het goede pad doen afwijken, gespot met hun deugd, hen om hun deugd benijd.

 

 Zesde en negende gebod :  Doe nooit wat onkuisheid is; Wees steeds kuis in uw gemoed

Ik heb vrijwillig behagen genomen in onkuise gedachten, begeerten.

Ik heb onkuise gesprekken gevoerd, dubbelzinnige uitdrukkingen gebezigd, onkuise liederen gezongen.

Ik heb onkuise dingen met welbehagen aanhoord.

Ik heb onkuise boeken, illustraties, brieven geschreven, gelezen, verspreid.

Ik heb onkuise prenten, beelden met welbehagen beschouwd, ik ben met dat doel naar de cinema of elders gegaan.

Ik heb gezondigd door onkuise handelingen met mijzelf, met anderen : met jongeren, met ongehuwden, met gehuwden, met bloedverwanten, met vreemden.

Ik heb onkuise aanrakingen, kussen toegelaten; er behagen in genomen.

Ik heb de naaste gelegenheid tot onkuisheid niet gevlucht, slechte gezelschappen opgezocht.

Ik ben onzedig geweest in mijn houding, in mijn kleding, met het doel anderen te verleiden of tot hun ergernis.

Ik heb anderen aangezet tot onmatig drinken om hen tot onkuisheid te brengen.

 

Zevende en tiende gebod: Vlucht het stelen en bedriegen; Begeer nooit iemands goed

Ik heb andermans goed onrechtvaardig begeerd, de begeerte gehad te stelen of schade te doen.

Ik heb gestolen: zaken, geld. (zeg wat of hoeveel.)

Ik heb met geweld gestolen, helpen stelen.

Ik heb in de kerk, of kerkelijke goederen gestolen.

Ik heb het gevondene zonder meer behouden; ik heb gestolen goed niet teruggegeven.

Ik heb het geleende niet teruggegeven.

Ik heb mijn schulden wetens en willens niet betaald.

Ik heb andermans goed vrijwillig beschadigd.

Ik heb onrechtvaardige processen gevoerd.

Ik heb bedrog gepleegd in de handel, in een of ander contract (koop-, huur, verzekerings-contract), in het spel.

Ik heb het goed van anderen, mij toevertrouwd, laten stelen of beschadigen.

Ik heb gewoekerd, d.i. een te hoge intrest of prijs geëist van iemand die in nood was.

Ik heb gestolen goed verborgen en aldus helpen stelen.

Ik heb getracht mij door ongeoorloofde middelen te verrijken.

Ik heb mijn ambts- of beroepsplichten verwaarloosd en aldus aan anderen schade berokkend.

Ik heb het verschuldigde loon niet uitbetaald.

Ik heb weduwen en wezen bestolen, benadeeld.

Ik ben overdreven gehecht geweest aan de aardse goederen.

Ik heb geveinsd behoeftig te zíjn om aalmoezen te krijgen.

Ik heb geld en goed verkwist in drank of spet, tot nadeel van mijn familie, of zo dat ik mijn verplichtingen tegen anderen niet kan voldoen.

 

 Achtste gebod: Ook de achterklap en ‘t liegen

Ik heb kwade vermoedens van anderen gehad.

Ik heb lichtvaardig geoordeeld dat iemand groot kwaad gedaan heeft.

Ik heb gelogen, uit gewoonte, uit scherts, uit ijdelheid, om aan een ander grote of geringe schade te berokkenen.

Ik heb de waarheid verzwegen voor het gerecht tot schade of schande van anderen.

Ik heb de evenmens vals voorgedragen of beschuldigd, van hem iets kwaads verteld dat niet waar is, of het kwaad dat waar is vergroot : dat is lastertaal.

Ik heb verborgen kwaad van anderen zonder reden bekend gemaakt : dat is achterklap.

Ik heb anderen tot lastertaal of achterklap aangezet, ik heb er vrijwillig behagen in geschept, ik heb ze niet belet.

Ik heb naamloze brieven geschreven tot schade of schande van anderen.

Ik heb het nadeel, aan de eer van de naaste berokkend, niet hersteld.

Ik heb mij toevertrouwde geheimen of beroepsgeheimen geschonden.

 

De geboden van de H. Kerk

Ik heb op verboden dagen vlees gegeten.

Ik heb op Aswoensdag en Goede Vrijdag niet gevast.

Ik heb op zondagen en de geboden feestdagen de H. Mis verzuimd.

Ik ben aan de plicht der jaarlijkse biecht te kort gekomen door niet te biechten, of door niet goed te biechten.

Ik heb aan mijn Paasplicht niet voldaan door de H. Communie niet te ontvangen, door ze onwaardig te ontvangen.

 

 

2. Gewetensonderzoek voor bepaalde standen

Voor gehuwden en ouders

Ik heb het huwelijk aangegaan, goed wetende dat er een geheim beletsel bestond en heb ditzelfde verzwegen.

Ik heb het huwelijk aangegaan voor een protestantse of ketterse minister ; ik ben enkel burgerlijk getrouwd.

Ik heb het huwelijk aangegaan niettegenstaande gelofte van zuiverheid.

Ik heb de huwelijksplicht geweigerd zonder reden.

Ik heb de huwelijksdaad vrijwillig onvruchtbaar gemaakt.

Ik heb vruchtafdrijving opgewekt, aangeraden, erbij geholpen.

Ik heb onkuisheid gedaan met een ander persoon, een gehuwde, een ongehuwde.

Ik heb met mijn echtgeno(o)t(e) getwist ; hem (haar) verwensingen, bedreigingen, slagen toegebracht.

Ik heb het geld bestemd voor het gezin, verkwist.

Ik heb niet gezorgd voor het lichamelijk onderhoud van mijn kinderen.

Ik heb uit gemak- of genotzucht of uit ijdelheid mijn pasgeboren kind niet zelve gevoed.

Ik heb mijn kinderen niet opgeleid tot een beroep of bedrijf overeenkomstig hun stand.

Ik heb mijn kinderen niet van jongs af in de katholieke godsdienst en de katholieke zedenleer onderwezen.

Ik heb de verkeerde neigingen van mijn kinderen niet onderdrukt, de aangenomen slechte gewoonten niet afgeleerd.

Ik heb hen van jongs af niet gewend aan de beoefening van de christelijke deugden.

Ik heb mijn kinderen naar niet-katholieke, ongodsdienstige of godsdienstloze scholen gestuurd.

Ik heb de opvoeding van mijn kinderen verwaarloosd, hun te veel vrijheid gegeven.

Ik heb hen niet bewaakt, vooral in de gevaarlijke jaren der verkering.

Ik heb hen niet genoeg vermaand, berispt, gestraft.

Ik heb hun slechte voorbeelden of slechte raad gegeven, hun het kwaad geleerd, hen tot zonde aangespoord, bij voorbeeld tot stelen, tot kinderbeperking.

Ik heb mijn kinderen verwenst, mishandeld, niet voor hen gebeden.

Ik heb verwaarloosd hen te doen werken, studeren, de godsdienstoefeningen en catechismus bijwonen.

Ik heb grote kinderen te veel geld gegeven tot hun bederf.

 

Voor leraars, onderwijzers, opvoeders

Ik heb de plichten van mijn ambt verzuimd : lesuren ingekort, lessen niet voorbereid enz.

Ik heb slechte voorbeelden gegeven aan de mij toevertrouwde jeugd.

Ik heb hun boze neigingen niet bedwongen, hun slechte gewoonten niet afgeleerd: luiheid, zinnelijkheid, koppigheid enz.

Ik heb sommige kinderen bevoordeeld boven anderen.

Ik heb het een of ander kind gehaat, verstoten, benadeeld.

Ik heb de kinderen dat niet aangeleerd waarop ze recht hadden.

lk heb verzuimd de jeugd in de godsdienst te onderrichten; haar valse leerstellingen voorgehouden.

Ik heb kinderen tot zonde verleid.

Ik heb door goede bewaking of ernstige vermaningen het kwaad niet voorkomen of belet.

Ik ben niet streng genoeg of te streng geweest.

Ik heb door het verzuimen van mijn plichten onverdiend loon ontvangen.

 

Voor handelaars, kooplieden, winkeliers, herbergiers

Ik heb door leugen en bedrog mijn waar te duur verkocht.

Ik heb bedrog gepleegd in getal, gewicht, maat, kwaliteit.

Ik heb minderwaardige stof bij mijn waar gemengd om ze aan te lengen of zwaarder te maken.

Ik heb nagemaakte of vervalste waar verkocht voor echte.

Ik heb verborgen gebreken der koopwaar niet bekend gemaakt, de prijs deswege niet verminderd.

Ik heb verboden waar gekocht, verkocht tot schade van de evenmens.

Ik heb aan mijn deelgenoot in de handel een merkelijk deel van de winst onttrokken.

Ik heb voor mijn waar woekerprijzen doen betalen, nog erger, daarbij van de nood van mijn evenmens misbruik gemaakt.

Ik heb de koopwaar met vals geld betaald.

Ik heb van de achterlijkheid of de onoplettendheid van anderen misbruik gemaakt om hun te weinig te betalen of te veel te doen betalen.

Ik heb aangezet of meegewerkt tot dronkenschap.

Ik heb anderen oneerlijke concurrentie aangedaan.

Ik heb door oneerlijke middelen klanten aan een mededinger onttrokken, of naar mijn zaak gelokt.

Ik heb in mijn bedrijf oneerbare zaken toegelaten, b.v. slechte praat, liederen of nog erger.

Ik heb mijn lokaal beschikbaar gesteld voor slechte vertoningen, zedeloze dansen, antigodsdienstige vergaderingen, gevaarlijke bijeenkomsten van jeugdige personen.

Ik heb goddeloze en zedeloze dingen in de hand gewerkt door het hangen van aanplakbrieven voor mijn winkel- of herbergvensters, uitstellen van zedeloze prenten, ter lezing aanbieden van slechte geschriften.

 

Voor advocaten en procureurs

Ik heb zaken aangepakt of afgehandeld zonder genoegzame kennis, tot schade van mijn klant.

Ik heb zaken verdedigd, goed wetende dat zíj onrechtvaardig waren.

Ik heb verwaarloosd mijn klant op de onrechtvaardigheid van zijn zaak te wijzen.

Ik heb overdreven loon geëist voor een pleitzaak.

Ik heb een rechtvaardige zaak verwaarloosd ten voordele van een onrechtvaardige.

Ik heb aan de tegenpartij geheimen geopenbaard tot schade van mijn klant.

Ik heb de zaak ingewikkelder voorgesteld dan ze was, om een hoger ereloon te kunnen vragen.

Ik heb zonder reden een proces verlengd om meer te verdienen.

Ik heb door het uitstellen van een zaak grote schade berokkend aan de evenmens.

Ik heb arme mensen, weduwen en wezen niet geholpen.

Ik heb anderen aangezet tot procederen als zulks niet gerecht was.

Ik heb mijn klant tot zonde verleid.

Ik ben niet of niet krachtdadig genoeg opgetreden om de openbare zedelijkheid te beschermen, de openbare zedeloosheid te beteugelen, bijvoorbeeld: om de handel in blanke slavinnen, de ver-

koop van anticonceptionele middelen, van verdervende, van pornografische geschriften, – allerhande omkoperij, – geheime stokerijen op te sporen, te beletten, te doen straffen, zo vruchtafdrijving,

kindermoord, openbare dronkenschap, bederf van minderjarigen.

 

Voor notarissen, griffiers

Ik heb bij het vervullen van mijn ambt gewin gezocht op onrechtvaardige wijze.

Ik heb uit vriendschap of uit haat mijn ambt misbruikt.

Ik ben aan het beroepsgeheim te kort gekomen, tot nadeel van anderen.

Ik heb mijn zaken verwaarloosd tot grote schade van de evenmens.

Ik heb zaken afgehandeld, goed wetende dat zíj onrechtvaardig waren.

Ik heb mij tot het opstellen van valse stukken laten overhalen.

Ik heb de getuigenissen van anderen vervalst.

Ik heb de zaken verkeerd voorgesteld tot mijn voordeel, tot schade van anderen.

Ik heb meer loon geëist dan mij rechtmatig toekwam.

Ik heb gespeculeerd met de mij toevertrouwde fondsen, – door misbruik van vertrouwen gezondigd.

 

Voor dokters, chirurgen, apothekers

Ik heb zieken behandeld zonder grondig onderzoek tot nadeel van hun gezondheid.

Ik heb mij niet de nodige moeite gegeven om de ziekte te kennen.

Ik heb door onachtzaamheid mijn patiënt nadeel berokkend. – Ik heb hem benadeeld door het schenden van het beroepsgeheim.

Ik heb meer zorgen besteed dan nodig om meer te verdienen.

Ik heb onzekere geneesmiddelen gebruikt of voorgeschreven tot schade van de zieke.

Ik heb onnodige, kostelijke geneesmiddelen voorgeschreven.

Ik heb uit winstbejag of eigenbelang de medehulp van een confrater ingeroepen of afgewezen

Ik heb de huisgenoten van de zieke niet tijdig gewaarschuwd, tot zijn geestelijk nadeel.

Ik heb voorgeschreven, verkocht, middelen tot vruchtafdrijving, of slechte raad desbetreffend gegeven.

Ik heb bij ziekte of ongeval valse getuigschriften afgeleverd tot nadeel van de verzekeringskas.

Ik heb meer loon geëist dan mij toekwam.

Ik heb mijn diensten geweigerd aan zieken die ik onderstelde mij niet te kunnen betalen.

Ik heb de voorgeschreven medicamenten niet nauwkeurig vervaardigd, andere in de plaats gegeven, uit winstbejag of uit nalatigheid.

Ik heb instrumenten of producten verkocht om zwangerschap te voorkomen of kunstmatig te onderbreken.

Ik heb op lichtvaardige wijze vergiftigde producten verkocht.

Ik heb medicamenten boven de prijs verkocht.

Ik heb uit louter winstbejag een operatie aangeraden, opgedrongen die niet nodig was, tot nadeel van de zieke.

Ik heb een operatie uitgevoerd, die de christelijke zedeleer veroordeelt.

Ik ben ‘onvoorzichtig’ geweest in mijn omgang met patiënten, verpleegsters.

Ik heb patiënten tot zonde verleid.

Ik heb uit broodnijd de goede naam van een ambtsbroeder belasterd.

 

Voor staatslieden, magistraten

 Ik heb een hoge plaats aanvaard zonder die nodige bekwaamheid, tot schade van de evenmens of van de gemeenschap.

Ik heb een vertrouwenspost opgedragen aan een onwaardige.

Ik ben lichtzinnig omgesprongen met de rechtvaardigheid in het beleid van de gemeenschap.

Ik heb het geld van de gemeenschap verkwist, slecht besteed.

Ik heb wetens en willens een onrechtvaardig vonnis uitgesproken.

Ik heb een schuldige bevoordeeld tot nadeel van een onschuldige.

Ik heb gestraft meer uit wraakzucht of om politieke bijbedoelingen dan naar recht en billijkheid.

Ik heb iemand veroordeeld zonder genoegzame getuigenissen.

Ik heb schuldigen geholpen aan het gerecht te ontkomen.

Ik heb een vonnis zonder genoegzame reden uitgesteld tot schade van een betichte.

Ik heb gerechtelijke voorschriften verwaarloosd tot nadeel van anderen.

Ik heb mij zaken van de staat of van de gemeenschap toegeëigend.

Ik heb gehandeld tegen mijn ambtseed in; ik heb mijn ambtseed verbroken.

Ik heb de verstoorders van de openbare rust vrij laten begaan:

Ik heb allerlei kwaad niet belet als ik dat kon b.v. antigodsdienstige propaganda, pornografische geschriften.

Ik heb de openbare onzedelijkheid niet voldoende bestreden a1s mij zulks mogelijk was.

Ik heb de rechten van God en van de Kerk met voeten getreden, niet genoegzaam verdedigd.

 

Voor werkgevers, patroons

Ik heb de werkman het verdiende loon niet uitbetaald, niet op de bepaalde tijd uitbetaald.

Ik heb anderen doen werken ín voorwaarden, die gevaarlijk waren voor hun gezondheid of hun leven.

Ik heb anderen verplicht, aangezet ‘s zondags zonder reden te werken.

Ik heb hun geen tijd gelaten om hun zondagsplichten te vervullen.

Ik heb mijn werkvolk slecht behandeld, – tot overdreven zwaar werk verplicht.

Ik heb van hun nood misbruik gemaakt om ze uit te buiten.

Ik heb het aangedane onrecht niet hersteld.

Ik heb niet voldoende de zedelijke gaafheid van de werkman verzekerd,.

Ik heb de werkman bij zijn arbeid niet tegen zedelijke gevaren gevrijwaard.

Ik heb geen genoegzaam toezicht gehouden over gemengd personeel.

Ik heb werklieden of werkvrouwen tot zonde verleid.

Ik heb oneerbare zaken, gesprekken tegen geloof of zeden toegelaten.

 

Voor ambachtslieden, werklieden

Ik heb meer werkuren aangerekend dan er werkelijk waren.

Ik heb de werktijd verluierd, – de mij toevertrouwde werken slecht uitgevoerd.

Ik heb een werk aanvaard waartoe ik onbekwaam was en het slecht verricht.

Ik heb meer stof of materiaal geëist dan nodig en mij het overtollige toegeëigend.

Ik heb bedrog gepleegd in maat, gewicht, getal, tot schade van de werkgever.

Ik heb aanvaard werken uit te voeren, voorwerpen, kledingstukken te vervaardigen die voor anderen een gelegenheid tot zonde zijn.

Ik heb bij het werk, tegen God gemord, verwensingen gedaan, de naam van God ijdel gebruikt.

Ik heb ‘s zondags zonder voldoende reden gewerkt en daardoor de H. Mis verzuimd en ergernis gegeven.

Ik heb anderen aangezet ‘s zondags te werken.

Ik heb mij aangesloten bij antigodsdienstige verenigingen.

Ik heb slechte dagbladen gelezen, anderen daartoe aangezet.

Ik heb werkmakkers of gezellinnen tot kwaad verleid.

 

Voor landbouwers, boeren

Ik heb mijn vee laten weiden op het goed van anderen.

Ik heb wederrechtelijk dieren van anderen gedood, gekwetst.

Ik heb de palen verzet of de grensstenen verlegd om mijn akker te vergroten.

Ik heb een of meerdere voren van de akker van mijn gebuur afgeploegd.

lk heb het gepachte land slecht bewerkt, verwaarloosd tot schade van de eigenaar.

Ik heb dieren mishandeld, verwenst.

Ik heb gemord tegen God om reden van ongunstig weder.

Ik heb de naam van God ijdel gebruikt.

Ik heb onkuise handelingen gedaan met dieren.

Ik heb melk of andere waren vervalst.

Ik heb misbruik gemaakt van de nood van mijn evenmens om woekerprijzen te doen betalen.

Ik heb mij aan mijn leveringsverplichtingen onttrokken tot schade van de gemeenschap.

 

Voor schrijvers, journalisten, boekhandelaars, dagbladventers

Ik heb meegewerkt aan slechte, antigodsdienstige, zedeloze bladen. – Ik heb zulke bladen verspreid, verkocht.

Ik heb zonder reden of met behagen over ontucht en schandalen geschreven, mij en anderen ten verderve.

Ik heb slechte, oneerbare, antigodsdienstige boeken geschreven, gelezen.

Ik heb valse berichten de wereld ingestuurd tot nadeel van anderen.

Ik heb door mijn geschriften aan de eer van de evenmens geschaad.

Ik heb in boeken, dagbladen of geschriften theorieën voortgezet, verdedigd, die schaden aan Kerk en godsdienst.

 

Voor meisjes

Ik heb onberaden gelofte van zuiverheid gedaan.

Ik heb gebiecht zonder ernstige voorbereiding, zonder oprecht berouw.

Ik heb slechte biechten en communies gedaan: uit valse schaamte heb ik doodzonden verzwegen in de biecht.

Ik heb door overdreven opschik en allerlei kunstmiddelen anderen tot zonde gebracht.

Ik heb door ‘t volgen van de lichtzinnige, gewaagde mode anderen ergernis gegeven.

Ik heb gekoketteerd met gehuwde mannen.

Ik heb oneerbare aanrakingen toegelaten.

Ik heb de gelegenheid tot zonde niet gevlucht, ze eerder gezocht: in de verkering, door het bezoeken van dansgelegenheden, cinema’s enz.

Ik heb gezondigd door onkuise handelingen, met anderen, met ongehuwde, met gehuwde mannen.

Ik heb onkuise aanrakingen op mijzelf gedaan.

Ik heb aan gevaarlijke lectuur gedaan, slechte cinema’s bezocht, slechte of zedeloze dansen uitgevoerd.

Ik heb onkuise gesprekken gevoerd, onkuise dingen met vermaak aanhoord.

 

Voor jongens

Ik heb gezondigd door onkuise handelingen op mijzelf.

Ik heb onkuise gedachten, begeerten gehad.

Ik heb mij geen moeite gegeven om aan de bekoringen te weerstaan, geen middelen daartoe aangewend.

Ik heb oneerbare beelden met welbehagen beschouwd.

Ik heb begeerlijke oogslagen geworpen op personen van het andere geslacht.

Ik heb mij verdiept in gevaarlijke en slechte lezíng.

Ik ben onvoorzichtig geweest in mijn omgang met meisjes en vrouwen, zo in bekoring gekomen, in zonde gevallen.

Ik heb onzedige, onkuise aanrakingen gedaan met anderen, met meisjes, met gehuwde vrouwen, met kinderen, dus nog ergernis gegeven

Ik heb thuis geld ontvreemd voor drank of spel of slechte vrouwen.

Ik heb geflirt, ontijdig verkeerd, mijn verloofde niet geëerbiedigd.

Ik ben dronken geweest.

Ik heb mijn ouders bespot, beledigd, veracht, hen niet geholpen.

Ik heb slecht gebiecht, slechte communies gedaan.

Ik heb ‘s zondags de H. Mis slecht gehoord, verzuimd.

 


Opwekking tot berouw
(dit is het voornaamste deel van de biecht.)

AKT VAN BEROUW :

Mijn Heer en mijn God. het is mij leed dat ik tegen Uw opperste Majesteit misdaan heb.
Ik verfoei al mijn zonden niet alleen omdat ik Uw straffen heb verdiend, maar vooral omdat ze U mishagen, Die oneindig volmaakt en alle liefde waardig zijt.
Ik maak het vast voornemen mijn leven te beteren en de gelegenheden tot zonde te vluchten.
In dit berouw wil ik leven en sterven.

 

 In de biechtstoel

 

Vader, zegen mij, opdat ik een goede biecht zou spreken.

,In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilig Geest. Amen.

Eerwaarde biechtvader, mijn laatste biecht is … (b.v. één maand geleden).

Ik beschuldig mij vóór God en vóór u, Vader, van de volgende zonden:

Ik heb……………………………………………………………..

 

En nu vraag ik de absolutie met een zalige penitentie.

 

Na de biecht

Alvorens de kerk te verlaten, volbrengt de biechteling zijn penitentie. Hij dankt God voor de vergiffenis van zijn zonden. Hij herhaalt zijn goede voornemens en stelt ze onder de bescherming van O. L. Vrouw en van zijn Bewaarengel.

 


 

Imprimatur:

Leodii 12 Februarii 1948
L. Creusen,
Vic. Gen.

Copyright © 2016 - 2021 Centro Librario Sodalitium