De antichrist wordt in de christelijke traditie beschouwd als de tegenstander van Christus en Zijn rijk. Het begrip vindt zijn oorsprong in passages uit het Evangelie, waarin Jezus Christus waarschuwt voor valse profeten en valse christussen, in de tweede brief van Sint Paulus aan de Thessalonicenzen (2, 3–12), in de brieven van de Heilige Johannes en in het Boek der Openbaring. Alleen in de geschriften van de heilige Johannes wordt de term ‘antichrist’ expliciet gebruikt.
Dr. Jos. Keulers merkte op: “De antichrist is een eschatologische figuur, dat wil zeggen: hij behoort tot de tijd die aan het einde van de wereld voorafgaat. De vraag die zich vooral opdringt, is: moeten wij hem houden voor een individuele persoonlijkheid of voor een collectieve macht?” (Brieven van Paulus, p. 78). Algemeen wordt dus aangenomen dat de antichrist een eschatologische figuur is. De vraag rijst echter of deze mening wel in de Heilige Schrift gegrond is.
Hieronder volgt een vertaling van de toelichting bij het trefwoord Antichrist in het Bijbelswoordenboek dat onder leiding van monseigneur Francesco Spadafora werd samengesteld (Dizionario Biblico, diretto da Mons. Francesco Spadafora).
Volgens Spadafora biedt de Schrift weinig grond voor het idee van een eschatologische antichrist. De evangelieteksten verwijzen vooral naar valse christussen en valse profeten die optraden vóór en tijdens de belegering van de stad Jeruzalem door het Romeinse leger. Bij Sint Paulus duiden de uitdrukkingen ‘de mens der wetteloosheid’ en ‘de zoon van het verderf’ op het judaïsme dat de eerste christelijke gemeenschappen vervolgde. De Heilige Johannes benadrukt dat er niet één antichrist is, maar velen: allen die Christus en Zijn Kerk bestrijden en allen die de Menswording van de Zoon van God, de tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid, ontkennen. In deze betekenis vallen zowel vroegere als hedendaagse en toekomstige tegenstanders van Christus en Zijn Kerk onder het begrip.
Vandaar lijkt het ons weinig vruchtbaar om zich te verliezen in speculaties over de komst van een eschatologische antichrist of over structuren die zijn verschijning zouden voorbereiden. Richten we onze aandacht op de komst van Christus: Zijn komst in carne et infirmitate bij de Menswording, Zijn komst in gloria et majestate aan het einde der tijden om de levenden en de doden te oordelen, en Zijn komst in spiritu et virtute, wanneer Hij door Zijn genade werkzaam wordt in ons, opdat wij de vruchten van de Verlossing ontvangen en voorbereid worden op de eeuwige Zaligheid.
Hierna volgt de vertaling van de tekst uit het Bijbelswoordenboek.
“De antichrist is de tegenstander van Christus en Zijn rijk. In de gehele canonieke en apocriefe literatuur komt de term uitsluitend voor in de brieven van sint Jan.
In Zijn voorspelling omtrent de verwoesting van Jeruzalem, waarschuwt Jezus de leerlingen om op hun hoede te zijn voor de misleidingen waarmee pseudochristussen en pseudoprofeten hen zullen proberen te lokken: 1. tijdens de lange periode van vervolging en verdrukking die aan het begin van de smarten voorafgaat (Matt. 24, 5-11; Marc. 13, 6; Luc. 22,8); 2. en tijdens de grote smart (de belegering van de stad) die onmiddellijk aan het einde [de verwoesting van de stad en de tempel] voorafgaat (Matt. 24, 23 vv.; Mc. 13, 21 vv.).
Onderscheiden gebeurtenissen van wier vervulling de historicus [Flavius] Josephus (Bell. II, 13, 4-5 vóór de opstand en belegering) spreekt: “Bedriegers en oplichters, die onder de dekmantel van goddelijke inspiratie vernieuwingen teweegbrachten en de menigte aanzetten tot daden van fanatisme…”. En (VI, 5, 2-3 tijdens de belegering): “Er waren toen veel profeten die, door de tirannen omgekocht met betrekking tot het volk, bleven aandringen dat men moest wachten op de hulp van God… Het ellendige volk werd toen misleid… door hen die valselijk spraken in naam van God”.
2 Thessalonicenzen 2, 3-12 geeft een gedetailleerde beschrijving. “Laat niemand u op enige wijze misleiden (alsof de dag des Heren nabij is). Eerst moet de afval komen, de mens der wetteloosheid, het kind der verdoeming (aan het verderf gewijd) geopenbaard worden, de tegenstander die zich verheft tegen al wat God of heilig heet (Dan. 11, 36 vv.), zodat hij zich in de tempel van God neerzet en zich uitgeeft voor God (Ez. 28, 2). = Matt. 24, 15; Marc. 13, 14.
Herinnert u zich niet dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was? En u weet wat hem momenteel tegenhoudt (τὸ κατέχον), zodat hij te zijner tijd zich openbaren zal. Want het mysterie van de zonde is al werkzaam, alleen is er iemand die hem tegenhoudt (ὁ κατέχων), totdat hij opzijgeschoven wordt. Dan zal de goddeloze geopenbaard worden; maar de Heer zal hem vernietigen met de adem van zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning van Zijn komst (Matt. 24, 29 vv.; Marc. 13, 24 vv.; Luc. 22, 25 vv.; parousia Matt. 10, 23; 16, 64; Marc. 14, 61 v.; Luc. 22, 68 v.); zijn verschijning zal geschieden, krachtens de werking van Satan, in allerlei valse kracht, leugentekenen en leugenwonderen (Matt. 24, 23vv.; Marc. 13, 21. vv.), en met allerlei verleiding van ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde der waarheid [de waarheid, die onze liefde verdient] niet hebben aanvaard tot hun redding.” Het zijn de Joden [zoals uit de gehele context van 1 en 2 Tess. Blijkt] die het Evangelie hebben verworpen; een rechtvaardige straf, concludeert Sint Paulus, voor hun weigering. [ zie vers 11 en 12 van dezelfde brief]
Sint Paulus herhaalt voor de Thessalonicenzen, die hevig vervolgd werden door de Joden, de voorspelling van Jezus over het einde van Jeruzalem, die een straf is voor het vervolgende judaïsme en een troost voor de Kerk (Matt. 24; A. Plummer, J. B. Orchard, D. Buzy).
Men kan zich niet vergissen over de tijd. De komst van de verschrikkelijke straf heeft als voortekenen:
1° de afval die door Jezus werd voorspeld (K. Staab, p. 42), in Luc. 18, 8; Matt. 24, 12 vv. en bewaarheid werd in de Kerk van Palestina, in Hebr. 4, 11; 6, 4 vv.: 10, 26-31; 12, 25;
2° de onbelemmerde uiting van haat en geweld door het judaïsme, de tegenstander van Christus en zijn koninkrijk (1 Tess. 2, 15 vv.), waarin de voorspelling van de ontheiliging van de tempel zal bewaarheid worden met de verachting van elke goddelijke en menselijke norm: de termen zijn die van Dan. 11, 36 v. wat betreft de ontheiliging van de Tempel [toen voltrokken door Antiochus Epifanes] en van Ez. 28, 2 voor het gevoel van waanzinnig vertrouwen tijdens de kortstondige overwinning.
De ontheiliging van de tempel is het onmiskenbare teken dat Jezus gaf voor het einde van Jeruzalem: “Wanneer gij de gruwel van de ontheiliging (Dan. 9, 17; 12, 11), waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, in de heilige plaats zult zien…” Matt. 24, 15; Marc. 13, 14 (J. Huby, St. Marc, Verbum Salutis 2, 21e ed., 1929, p. 343; F. Prat, J. C., II, p. 247; M. Dibelius, An die Thess., Tübingen 1937, p. 45). De zeloten, hun leiders, zullen zich in de tempel vestigen (Josephus, Bell. V, 1-38, 98-105. 562-66), en daar slachtingen aanrichten.
Dit mysterie van haat en verdorvenheid werkte al naar vermogen, en gewelddadige vervolgingen hadden hun slachtoffers gemaakt. Rome was er met zijn macht (τὸ κατέχον) om de waanzinnige haat van de Synagoge in bedwang te houden. Ter illustratie, van 44 tot 62 was er een wapenstilstand van ongeveer 20 jaar, ongetwijfeld tot stand gebracht door de Romeinse administratie die het bestuur over Judea overnam (G. Lebreton – G. Zeiller, Storia della Chiesa, Italiaanse vert., 1, Turijn 1937, p. 209, cf. p. 242). Deze haat explodeerde voor het eerst onmiddellijk na de opstand tegen Rome (66 n.Chr.), met de weigering van het offer voor de keizer, de vlucht van de onrechtvaardige procurator Gessius Florus en de nederlaag van de legaat van Syrië, Cestius Gallus. De vertegenwoordiger van het rijk (ὁ κατέχων) werd zo opzijgeschoven. Maar men was bij het einde dat Jezus in de geciteerde passages voorspelde.
O. Cullmann (pp. 212 vv.) erkent dat deze interpretatie (het Romeinse Rijk en zijn vertegenwoordiger) de enige is die het gebruik en de overgang respecteert van het onzijdig (τὸ κατέχον dat de onpersoonlijke functie van de hindernis aangeeft) naar het mannelijk (ὁ κατέχων = de persoonlijke agent van die functie). Bovendien is het de oudste; het is de interpretatie van de Vaders, die, zij het met correcties en variaties, door vele exegeten wordt overgenomen. René Vosté O.P. spreekt van apostolische traditie.
De Kerkvaders pasten echter zowel Matt. 24 (althans vanaf vers 21) als 2 Tess. 2 toe op het einde van de wereld; en zij beschouwden de manifestatie van de antichrist als het teken van de tweede en laatste fysieke komst van Jezus. Vandaar de gemakkelijke tegenwerping: het Romeinse Rijk is verdwenen en de antichrist is niet verschenen. Een tegenwerping die de exegeten heeft gedesoriënteerd en hen ertoe heeft aangezet om vele nieuwe wegen te proberen, tevergeefs, totdat ze concludeerden dat 2 Tess. 2 onbegrijpelijk is.
Alles wordt echter duidelijk als men zich houdt aan de tekst en de context van de gehele brief (en van 1 Tess.) en aan de erkende en frequente letterlijke verwijzingen naar de voorspelling van Jezus van het einde van Jeruzalem (Matt. 24; cf. C. Spicq, in RScPhTh 36 [1952] 166, noot 53).
In 1 en 2 Joh. waarschuwt de apostel de gelovigen herhaaldelijk voor de ketters, die al vroeg in de primitieve Kerk waren opgestaan en zich verzetten tegen het mysterie van Jezus, ware God en ware mens. Deze ketters noemt Sint Jan antichristen. “Kinderen, het is het laatste uur (het laatste en definitieve tijdperk is dat wat begon met de komst van Jezus, in tegenstelling tot de tijdsperioden die eraan voorafgingen en het voorbereidden: Jes. II, 2; 1 Kor. 10, 11; Gal. 4, 1-5; Hebr. 9, 26); gij hebt gehoord dat de antichrist komt; welnu: zie, nu reeds zijn er vele antichristen verschenen… Zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij maakten geen deel van ons uit… Wie is de leugenaar, zo niet hij die loochent dat Jezus de Christus is? Deze is de antichrist; hij die de Vader en de Zoon loochent. Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet…” (1 Joh. 2, 18-22; nogmaals 4, 3). “Vele verleiders zijn de wereld binnengedrongen, die niet belijden dat Jezus, als de Christus, in het vlees is gekomen. Zo iemand is dwaalleraar en antichrist” (2 Joh. v. 7).
Tenslotte ontvouwt de Apocalyps het profetische beeld van de strijd tussen Christus en de machten van het kwaad (Satan = de Draak, met zijn satellieten). De voorspelling van Jezus (Matt. 24) stelt in wezen: in de gewelddadige, bloedige en meedogenloze strijd die het judaïsme tegen de ontluikende Kerk zal voeren, zal niet deze laatste bezwijken, maar de eerste. Dat was echter een episode; de Apocalyps, met de blik op de onbepaalde toekomst, bevestigt dat de Kerk altijd vervolgd zal worden, maar dat ze er altijd overwinnend en gezuiverd uit zal komen. Hij spreekt dus noch van een bepaald individu of een specifieke menselijke gemeenschap, noch van een handeling die op een bepaald moment of aan het einde der tijden te situeren is. Het gaat om alle manifestaties van het kwaad, gedurende de hele geschiedenis van de Kerk hier op aarde.
Het thema van de eschatologische antichrist, dat wil zeggen van een individu (vooral de Ouden, en B. Rigaux onder de modernen) of een groep mensen (F.M. Allo, D. Buzy, de modernen), die onmiddellijk vooraf moet gaan aan de fysieke wederkomst van Jezus aan het einde van de wereld, lijkt daarom niet op Bijbelse teksten gegrond. De onterechte vermenging van de verschillende aangehaalde verwijzingen, die eigenlijk over afzonderlijke thema’s gaan, tot één enkel onderwerp, heeft die opvatting mogelijk gemaakt.
Wie Jezus loochent en zich verzet tegen Zijn Kerk, wordt de antichrist genoemd – of het nu gaat om personen of hele gemeenschappen (zoals staten). Alle ketters en alle vervolgers, uit het verleden, het heden en de toekomst, vallen onder dit begrip [zoals de Heilige Johannes schrijft in zijn brieven en in Het boek der Openbaring].
De Heilige Mattheüs en de Heilige Paulus in de tweede brief aan de Thessalonicenzen verwijzen naar de felste tegenstander van de vroege Kerk: het judaïsme. Zij voorspellen vervolgingen, een kortstondige overwinning, en de verschrikkelijke straf.”
Tweet