Oorlog tegen het huwelijk 2: de katholieke leer over de kinderzegen in het huwelijk

De Kinderzegen en het Huwelijk

Uit de encycliek Casti Connubii van Paus Pius XI en de toespraak Vegliare con sollecitudine van Paus Pius XII

(genomen uit Ecclesia Docens, Gooi en Sticht, Hilversum)

 

Wat wordt bedoeld met kinderzegen?

Met kinderzegen wordt bedoeld: “de plicht om de kinderen met liefde te aanvaarden, met goedheid in hun levensonderhoud te voorzien  en ze godsdienstig op te voeden” (Paus Pius XI)

 

Wat is het hoofddoel van het huwelijk?

Waartoe heeft God, Schepper van de natuur, het huwelijk ingesteld? Is het hoofddoel van huwelijk de voortbrenging en opvoeding van kinderen of de wederzijdse hulp tussen de echtgenoten en de volledige ontplooiing van hun persoonlijkheid?

“De kinderzegen neemt dus de eerste plaats onder de zegeningen van het huwelijk in. Inderdaad, de Schepper zelf van het mensengeslacht, die in Zijn goedheid Zich bij de voortplanting van het leven van de hulp van de mensen heeft willen bedienen, heeft dit geleerd, toen Hij in het paradijs, bij de instelling van het huwelijk, tot onze eerste ouders, en in hen tot alle toekomstige echtgenoten zei: “Groei aan en vermenigvuldig u en bevolk de aarde.(Paus Pius XI)

“Welnu, de waarheid is, dat het huwelijk als natuurlijke instelling krachtens de wil van de Schepper als eerste en meest wezenlijke doel niet heeft de persoonlijke vervolmaking van de echtgenoten, maar het voortbrengen en het opvoeden van het nieuwe leven. De andere doeleinden, ofschoon eveneens door de natuur gewild, staan niet op één lijn met het eerste doel en nog minder erboven, maar zijn daaraan wezenlijk ondergeschikt. Dit geldt van ieder huwelijk, ook van het onvruchtbare huwelijk; gelijk men van ieder oog kan zeggen, dat het bestemd en gemaakt is om te zien, ook al komt het in abnormale gevallen, door bijzondere innerlijke en uitwendige omstandigheden nooit tot visuele waarneming.

Juist om een eind te maken aan alle onzekerheid en misvattingen, die valse theorieën dreigden te verspreiden omtrent de rangorde van de doeleinden in het huwelijk en hun wederzijdse betrekkingen, hebben wijzelf enkele jaren geleden (10 maart 1944) een verklaring opgesteld over de orde van die doeleinden, en aangegeven, wat uit de innerlijke structuur zelf van het natuurlijk vermogen blijkt, wat gemeengoed is van de christelijke overlevering, wat de Pausen herhaaldelijk hebben geleerd en wat ten slotte in de vereiste vorm is vastgelegd door het Wetboek van het Kerkelijk Recht. Zelfs heeft de H. Stoel kort daarna, om de hiermee strijdige meningen recht te zetten, in een decreet openlijk verklaard, dat de mening van enkele moderne schrijvers onaanvaardbaar is, die ontkennen, dat het eerste doel van het huwelijk de voortplanting en opvoeding is, of leren, dat de secundaire doeleinden niet wezenlijk ondergeschikt zijn aan het eerste doel, maar op één lijn daarmee staan en daarvan onafhankelijk zijn.” (Paus Pius XII)

Waaruit blijkt zonneklaar dat het kind een groot geschenk van de goddelijke goedheid en een heerlijke huwelijksvrucht is?

“Om te begrijpen, hoe groot deze weldaad Gods is en welk een kostbaar huwelijksgoed, behoeft men slechts te zien naar de waardigheid van de mens en naar zijn verheven doel. De mens immers staat alleen reeds door de hoogte van zijn redelijke natuur boven alle andere zichtbare schepselen. Daar komt nog bij: God wil, dat er mensen voortgebracht worden, niet alleen om te bestaan en de aarde te bevolken, maar veel meer om Hem te eren, om Hem te kennen en te beminnen en Hem eindelijk voor eeuwig in de hemel te bezitten. Als gevolg van de bewonderenswaardige verheffing van de mens door God tot de bovennatuurlijke orde overtreft dit doel alles wat een oog gezien en een oor gehoord heeft en in het hart van een mens is opgekomen.” (Paus Pius XI)

Is de taak van de ouders afgelopen bij de geboorte van het kind?

“De weldaad van het leven is echter niet het enige goed dat de kinderen van hun ouders mogen verwachten. Er moet nog iets anders bijkomen, en dat bestaat in de behoorlijke opvoeding van de kinderen.

Want waarlijk, de alwijze God zou voor het nieuwgeboren kind, en dus ook voor heel het menselijk geslacht, al slecht gezorgd hebben als Hij aan degenen die van Hem het vermogen en het recht hebben om nieuw leven te verwekken, ook niet het recht en de plicht tot opvoeden had opgedragen. Immers, het kan niemand ontgaan, dat een kind niet eens in de zaken van het natuurlijke leven, laat staan dan in die van het bovennatuurlijke leven, zichzelf genoeg is of voor zichzelf kan zorgen, maar dat het jarenlang hulp, onderricht en opvoeding van anderen nodig heeft. Nu is het echter een uitgemaakte zaak, dat volgens de eis van de natuur en de wil van God dit recht en die plicht om de kinderen op te voeden op de eerste plaats toekomt aan degenen die door het leven te verwekken met dit werk der natuur een begin hebben gemaakt, en aan wie het absoluut verboden is, dat begonnen werk onafgewerkt te laten en het zo aan een zekere ondergang bloot te stellen.” (Paus Pius XI)

Wat vloeit voort uit de taak van voortbrenging en opvoeding die aan de ouders is toevertrouwd?

“Eindelijk nog een punt dat wij niet mogen verzwijgen. Daar deze tweevoudige taak, die aan de ouders tot welzijn der kinderen is toevertrouwd, zo eervol is en zo gewichtig, is alle eerbaar gebruik van het door God geschonken vermogen om nieuw leven te verwekken uitsluitend recht en voorrecht van het huwelijk, en moet het absoluut binnen de heilige grenzen van het huwelijk beperkt blijven. Dat is de wil van de Schepper, dat is de wet van de  natuur.”  (Paus Pius XI)

 

Welke zijn de twee grote wetten van het huwelijk?

 Omwille van dit hoofddoel wordt het huwelijk door twee wetten geregeld: de wet van de huwelijksdaad en de wet van de huwelijksstaat.

 De wet van de huwelijksdaad is een negatieve verplichting die altijd en in alle omstandigheden nageleefd moet worden.

Paus Pius XI onderricht onfeilbaar dat elke huwelijksdaad, die door menselijk opzet beroofd wordt van de kracht om leven voort te brengen, in gaat tegen de wet van God, tegen de wet van de natuur en een zware zonde is. Daaruit volgt ook dat alle preventieve praktijken die tot doel hebben toekomstige huwelijksdaden onvruchtbaar te maken, hetzij voor een tijd, hetzij voor altijd, ook intrinsiek kwaad zijn, en ook een zware zonde uitmaken.

Doch daar staat tegenover: geen enkele reden, zelfs niet de zwaarwichtigste, kan wat in zichzelf tegennatuurlijk is, maken tot iets, wat met de natuur in overeenstemming en zedelijk goed is. Welnu, de huwelijksdaad is door haar natuur zelf bestemd om kroost te verwekken. Bijgevolg: wie bij het verrichten van die daad haar opzettelijk beroven van de kracht en het vermogen, die haar van nature eigen zijn, handelen tegen de natuur en verrichten een schandelijke en intrinsiek onzedelijke daad.

Het is dan ook geen wonder, dat ook de heilige Schrift zelf er getuigenis voor aflegt, hoe de goddelijke majesteit deze verfoeilijke misdaad met de diepste haat verafschuwt en ze soms met de dood heeft bestraft. Daaraan herinnert ons de H. Augustinus met de woorden: “De huwelijksdaad wordt een ongeoorloofde en schandelijke daad, ook wanneer ze verricht wordt met de eigen echtgenote, als het ontvangen van een kind daarbij onmogelijk wordt gemaakt. Dat deed Onan, de zoon van Juda, en om die misdaad sloeg God hem met de dood.

Daarom verheft de katholieke Kerk, aan wie God zelf de taak heeft opgedragen om de ongereptheid van de zeden en de eerbaarheid te verkondigen en te verdedigen, te midden van dit zedelijk verval, met het doel de reinheid van het huwelijk voor deze schadelijke smet te vrijwaren, tot teken van haar goddelijke zending, door onze mond luide haar stem, en kondigt zij het opnieuw af: ieder huwelijksgebruik, bij welks uitoefening de handeling door opzettelijk menselijk ingrijpen beroofd wordt van haar natuurlijke krachten om leven voort te brengen, is een inbreuk op de wet van God en de wet der natuur, en wie zich daaraan schuldig maken, bezoedelen zich met de smet van zware zonde.” (Paus Pius XI)

“Het betekent veel meer dan een louter gebrek aan bereidwilligheid in het dienen van het leven, als het ingrijpen van de mens niet alleen op een enkele daad betrekking heeft, maar het organisme zelf aantast met het doel om het door middel van onvruchtbaarmaking te beroven van het vermogen nieuw leven voort te brengen.

De rechtstreekse onvruchtbaarmaking, d.w.z. die beoogt, als middel of als doel, de voortplanting onmogelijk te maken, is een ernstige schending van de zedenwet en daarom ongeoorloofd.

Daarom heeft de H. Stoel, toen een tiental jaren geleden de onvruchtbaarmaking op steeds grotere schaal werd toegepast, zich genoodzaakt gezien, uitdrukkelijk en openlijk te verklaren, dat de rechtstreekse onvruchtbaarmaking, hetzij van blijvende of tijdelijke aard, van man of vrouw, ongeoorloofd is krachtens de natuurwet, waarvan zelfs de Kerk, zoals gij weet, niet kan ontslaan.” (Paus Pius XII)

De wet van de huwelijksstaat is positief geformuleerd en verplicht niet in alle omstandigheden.

“De huwelijksovereenkomst, die aan de echtgenoten het recht geeft aan de neiging van de natuur te voldoen, plaatst hen in een levensstaat, de huwelijksstaat. Welnu, de natuur en de Schepper leggen aan de echtgenoten, die van dit recht gebruik maken door de specifieke daad van hun levensstaat, de taak op te zorgen voor de instandhouding van het menselijk geslacht. Dit is het kenmerkende werk, dat de eigenlijke waarde van hun staat uitmaakt, het bonum prolis (het goed van de kinderzegen). Enkeling en maatschappij, volk en staat, ook de Kerk hangen in de door God gestelde orde voor hun bestaan af van het vruchtbare huwelijk. Daarom misdoet men tegen de zin zelf van het huwelijksleven, als men de huwelijksstaat aanvaardt, voortdurend gebruik maakt van de daad die daaraan eigen en daarin alleen geoorloofd is, en daarbij zich steeds en opzettelijk, zonder gewichtige reden aan zijn eerste plicht onttrekt.” (Paus Pius XII)

 

Is het geoorloofd de huwelijksdaad te stellen tijdens de onvruchtbare periodes van de echtgenote?

“Ook mag men de beschuldiging van tegennatuurlijk handelen niet uitspreken tegen echtgenoten, die op de juiste en natuurlijke wijze van hun recht gebruik maken, al kan daaruit door natuurlijke oorzaken, gelegen in de tijd of in een of andere onregelmatigheid, geen nieuw leven ontstaan. Er bestaan immers zowel in het huwelijk zelf als in het gebruik van het huwelijk ook secundaire doeleinden, zoals de wederzijdse hulp, het onderhouden der wederzijdse liefde, en het tot rust brengen der begeerlijkheid; en er bestaat volstrekt geen verbod voor de echtelieden deze doeleinden te intenderen, altijd onder voorwaarde, dat het wezen van de huwelijksdaad en dus haar ordening tot het eerste doel intact blijven.” (Paus Pius XI)

 

Is het geoorloofd het huwelijksgebruik te beperken tot de onvruchtbare perioden van de echtgenote?

Ja, als er ernstige indicaties van medische, eugenetische, economisch en sociale aard zijn:

 “Van dat positieve verplichte werk kan men, ook voor lange tijd, zelfs voor geheel de duur van het huwelijk ontslagen zijn om ernstige redenen, zoals die niet zelden gelegen zijn in de z.g. medische, eugenetische, economische en sociale “indicatie”.

Hieruit volgt, dat het zich houden aan de onvruchtbare tijden in zedelijk opzicht geoorloofd kan zijn; en in de genoemde omstandigheden is het dit ook.” (Paus Pius XII)

Neen, als die ernstige indicaties ontbreken:

Als er echter volgens een verstandig en billijk oordeel dergelijke ernstige redenen, hetzij van persoonlijke aard, hetzij voortvloeiend uit uiterlijke omstandigheden niet aanwezig zijn, dan kan de wil van de echtgenoten om blijvend de vruchtbaarheid van hun vereniging te vermijden, terwijl zij toch doorgaan volledig te voldoen aan hun geslachtelijke neiging, slechts voortkomen uit een valse waardering van het leven en uit beweegredenen, die buiten de juiste zedelijke normen vallen.” (Pius XII)

 

Hoe wordt vruchtafdrijving (abortus provocatus) bestempeld?

 “Wij moeten nu vervolgens, eerbiedwaardige broeders, nog een andere zeer zware misdaad vermelden, namelijk de misdaad, waardoor een aanslag gepleegd wordt op het leven van het kind, dat nog in de moederschoot is verborgen.”

Deze leer stemt volkomen overeen met de strenge woorden, waarmede de bisschop van Hippo zijn verontwaardiging uitsprak tegen de ontaarde ouders, die wel trachten de ontvangenis van een kind te voorkomen, maar die, ingeval dit niet lukt, er niet voor terugdeinzen het op misdadige wijze te doden:

“Hun wellustige wreedheid, zegt hij, of hun wrede wellust gaat somtijds zover, dat zij doet grijpen naar onvruchtbaar makende dranken, en, als dit geen uitwerking heeft, dat zij dan op een of andere wijze de vrucht in de moederschoot doodt en afdrijft. Men wil, dat het kind ten onder gaat, nog voor het leeft, of, als het in de moederschoot leefde, dat het gedood wordt nog voor het geboren wordt. Waarlijk, als beiden zo gezind zijn, dan verdienen zij de naam van echtgenoten niet; en als zij beiden van het begin af zo gezind waren, dan is hun vereniging geen huwelijk, maar een ontuchtig samenkomen geweest. Als zij niet beiden zo gezind zijn, dan durf ik verklaren: één van de twee: ofwel de vrouw is in zekere zin de prostituee van haar man, of de man is de boeleerder van zijn vrouw.” (Paus Pius XI)

 

Welke plicht hebben de biechtvaders en zielzorgers?

“Aan de biechtvaders en de andere zielzorgers geven wij krachtens ons hoogste gezag en krachtens de ons opgedragen zorg voor het heil van alle zielen deze vermaning: zij mogen de hun toevertrouwde gelovigen omtrent deze zeer ernstige wet van God niet in dwaling laten; nog veel meer moeten zij zichzelf vrij houden van zulke valse meningen, en zij mogen er op geen enkele wijze toegeeflijk voor zijn. Als echter – wat God verhoede – een biechtvader of zielenleider de hem toevertrouwde gelovigen zelf in dwaling brengt, of althans door goedkeuring of door listig zwijgen in die dwaling bevestigt, dan weet hij, dat hij eenmaal voor de opperste rechter, God, strenge rekenschap van dit ambtsverraad zal moeten afleggen, en dan acht hij Christus woorden op zich toepasselijk: “Zij zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde de andere leidt, vallen zij beiden in de kuil.” (Paus Pius XI)

 

 


 

 

 

Copyright © 2016 - 2021 Centro Librario Sodalitium