
Zie, Ik sta aan de deur en klop aan.. (Openbaring 3,20)
Jezus zelf spreekt tot u: Mijn kind, Ik kom, gans voor u, en Ik wil helemaal van u zijn, met Mijn mensheid, Mijn Godheid, Mijn genade, Mijn Hart! Ik ben de uwe, Ik wil u meer toebehoren dan aan de Engelen. Voor de Engelen heb Ik nooit gedaan wat Ik voor u gedaan heb: Nooit heeft Hij de natuur der Engelen aangenomen, maar Abrahams geslacht heeft Hij aangenomen (Hebr. 2,16).
Beschouw het Goddelijk Kind Jezus in de kribbe: luister naar Hem, zo klein, in doeken gewonden, liggend op wat stro. Hij spreekt tot u en hoe?… Hij weent, omdat Zijn Hart gewond is, gewond door de liefde…
Te Nazareth lijdt Jezus en bidt Hij… voor wie? Voor ons. Hij vraagt, en wat wil Hij? Onze zaligheid. Hij bidt omdat Hij bemint. Hij bidt omdat Zijn Hart gewond is, gewond door de liefde.
Hij preekt in de vlakten van Galilea, van Judea, te Jeruzalem, en roept de mensen tot Zich, zeggend: Komt allen tot Mij, die vermoeid en bedrukt zijt en Ik zal u verkwikken (Mt. 11,28). Begrijp het toch goed, Zijn Hart spreekt hier, Zijn Hart gewond door de liefde.
Zie Hem in Bethanië, Hij preekt er het leven, Hij preekt er de liefde: Hij preekt er door de Wonde van Zijn Hart, reeds op voorhand doorstoken. Hij heeft dorst naar Zijn schepselen, naar u, naar mij. In de hof van olijven, op Golgotha aan het Kruis weent Hij… weent Hij bloed, al het bloed van Zijn Hart, van Zijn Hart gewond door de liefde.
En zie Hem nog altijd, die Goddelijke Meester in het tabernakel, op het altaar, als Hij in uw hart komt: overal is Hij dezelfde. Hij geeft Zich aan ons. Ziedaar het Hart dat de mensen zozeer bemind heeft. Dat Hart, Ik geef het u, zo gij het slechts wilt aannemen… Mijn kind, Ik bemin u en Ik kom tot u. Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig (Mt. 21,5). Ik kom en wil blijven met u, in u, als Koning van liefde en barmhartigheid, zo gij Mij slechts aanvaardt, zo gij Mij maar wilt.
De Heer geeft Zich geheel en al aan u en vraagt u daarvoor niets anders dan uw hart, uw wederliefde, zoals er staat in het Boek der Spreuken: Mijn kind, geef Mij uw hart (Spr. 23,26). Hijzelf heeft Zich het eerst gegeven; vandaar dat de heilige Joannes zegt: Laat ons dan God liefhebben, omdat God ons eerst heeft liefgehad (1Jo. 4,19). Ik heb u eerst bemind, Ik ben begonnen… Ja, Jezus heeft Zich gegeven, geheel en al gegeven… Almachtig als Hij is, kon Hij ons niet meer geven.
Zie Hem in de kribbe: in welk een armoede kwam Hij ter wereld, en dat uit liefde tot ons. God vraagt, God bedelt om ons hart, onze liefde! Welke onbegrijpelijke, welke verheven liefde… liefde gedreven tot dwaasheid. Is er iets in ons, o Heere, dat U zoo verliefd doet zijn? schreef Guido Gezelle, en vervolgt: Zegt, om hier beneên te dalen, wat kan Uw beraad toch zijn? Onverstaanbaar is de reden, of het moest uit liefde zijn, dat de God der heerlijkheden wil bij de arme menschen zijn! Hoe zullen wij die liefde vergelden? Door onszelf volkomen aan Jezus te schenken, niet slechts met woorden of door inbeelding… maar geven wij leven voor leven, geheel ons hart voor heel Zijn Hart!
En wat is dat, Hem ons hart geven? Dat is onze liefde, geheel onze liefde schenken… zonder maat. Jezus heeft geen grenzen gesteld aan de offerande van heel Zichzelf. Hij, God… en ik, klein, zwak, ellendig schepsel, ik zou die gift van mijn kant willen beperken? Neen, geen verdeling: alles of niets… Hoor hoe de heilige Marcus het zegt: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en uit al uw kracht (12,30). Aan Jezus een verdeeld hart geven… wat een grove belediging Hem aangedaan! Hij, oneindige God, geeft Zich geheel en al, stort in mij uit al de schatten van Zijn Hart; en ik, ik zou Hem een verdeeld hart aanbieden… Hij zou het afwijzen, Zijn Goddelijke ijverzucht zou zich ermee niet tevreden kunnen stellen. Maar, moeten wij dan niets en niemand buiten Hem beminnen? Moeten wij onze ouders, vrienden en familie niet liefhebben? Zeker, ge moet uw ouders, vrienden, familie en zelfs uw vijanden liefhebben: dat is terecht en zelfs uw plicht. Gij zult uw naasten beminnen als uzelf (Mc. 12,31). Al deze personen moet gij beminnen, maar in Mij, voor Mij, om Mij. Al die rechtmatige genegenheden moeten afhankelijk gemaakt worden van Mijn liefde, geheiligd door Mijn liefde, veredeld, vereeuwigd in Mijn liefde. Schenk Mij uw liefde, geef Mij uw hart en in dit hart die vader, die moeder, die echtgenoot, die echtgenote, die kinderen, die vrienden, uw familie, waarvan Ik Mijn familie wil maken, uw huisgezin, waarvan ik Mijn huisgezin wil vormen.
Mijn kind, geef Mij uw hart! Laat Mij tot u spreken, zoals tot de Samaritaanse aan de put van Jacob: Indien gij de gave Gods begreep en wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken – dan zoudt ge Hem gevraagd, en Hij zou u levend water gegeven hebben (Jo. 4,10). Indien gij Gods gave zou begrijpen, en weten wie het is die u smeekt: Geef Mij uw hart – dan zoudt ge Hem smeken, en Hij zou u laten deelhebben aan Zijn Eigen Leven. Ik smeek u dan, Jezus, neem mijn hart aan, aan U behoort het geheel en al toe. Nooit meer zal ik U op de tweede plaats laten. U stel ik in alles voorop, U stel ik boven alles, U bemin ik boven alles.
Wij moeten Jezus beminnen met geheel ons hart, en niet half. Hij heeft ons het voorbeeld gegeven, zoals Hij Zelf zegt: Een voorbeeld heb Ik u gegeven, opdat gelijk Ik u gedaan heb, zo ook gij doen moogt (Jo. 13,15). Ik, God, heb u dat voorbeeld gegeven. Ik heb u boven alles liefgehad. Ik ben de Schepper van alle rijkdommen, van de schatten van de hemel en van de aarde: en boven al die rijkdommen heb Ik u bemind en uitverkoren. Ik ben geboren, van alles ontdaan, in een stal, te midden van de dieren. Jezus heeft ons nog meer bemind dan de engelen. Hij heeft ons meer bemind dan Zijn eigen Majesteit. En het joodse volk riep uit: Hij is des doods schuldig! (Mt. 26,66)
Wij verdienden de gramschap en de straf van de Vader, maar Hij heeft Zijn Hart, Zijn liefde tussen die gramschap en ons gesteld, en ze zo gestild. Wanneer iemand zijn leven geeft, geeft hij alles. Grotere liefde heeft niemand dan die zijn leven geeft voor zijn vrienden (Jo. 15,13). En Hij heeft ons bemind meer dan Zijn leven: usque in finem: tot het uiterste. De Zijnen in de wereld had Hij liefgehad, en nu ging Hij in Zijn liefde tot het uiterste… (Jo. 13,1) Jezus gaat ons verlaten. Maar Hij is de God van de liefde. Ik zal u niet als wezen achterlaten (Jo. 14,18). Hij blijft bij ons. De Eucharistie vernieuwt de gehele openbaring van de oneindige liefde van God voor ons.
De heilige Paulus roept het uit als hij van Jezus zegt: Hij heeft mij liefgehad en Zichzelf gegeven voor mij (Gal. 2,20). Iedereen van ons kan en moet hetzelfde zeggen: Hij heeft mij bemind en Zichzelf gegeven, en in hoeverre? Tot op het Kruis, dat de wereld een dwaasheid noemt: Christus de Gekruisigde, voor de joden een ergernis, en voor de heidenen een dwaasheid (1Cor. 1,23).
En gij nu, hoe beantwoordt gij deze liefde, waar is uw vergelding voor Jezus liefde? Mijn kind, geef Mij uw hart! (Spr. 23,26) Och Heer, een ogenblik… ik heb zoveel aan mijn hoofd nu… mijn toekomst, mijn belangen, mijn fortuin… wacht nog wat… En Jezus wacht lange tijd… Het fortuin is gemaakt, of niet gemaakt. Hij klopt opnieuw aan en vraagt: Wilt gij Mij nu ontvangen en beminnen? Wacht nog wat, is ’t antwoord, ik heb nog zoveel bekommernissen, gunstige gelegenheden te benutten, mijn gemak te zoeken, voor mijn gezondheid te zorgen; mijn dromen gaan verwezenlijkt worden: ik zal gelukkig zijn! Wacht nog enige tijd. En Jezus wacht, wacht aan de deur van ons hart. Als een arme, als de laatste, als een bedelaar…
Het Brandende Braambos
God is Liefde (1 Jh. 4,8) God, de Liefde, is een mens geworden. Uit Liefde, juist omdát Hij Liefde is. Hij kwam in de wereld tot de zijnen, maar de zijnen wilden Hem niet (Jh. 1,11) Inderdaad, de wereld wilde de Liefde niet kennen, de Liefde niet beminnen. En Jezus, de mensgeworden Liefde, toont ons Zijn diepgewonde Hart: Ziehier het Hart, dat de mensen zózeer heeft bemind…
Hoe kunnen wij het Hart van Jezus dan terug beminnen? Wie kan beminnen, kan ook Hem beminnen, boven alles, met heel ons hart, met heel onze ziel, met al onze krachten. Wie een hart liefhebben kan, kan ook Zijn Hart liefhebben. Wie graag en veel spreekt tegen de beminde van zijn hart: spreek graag en veel tegen dit Hart van Jezus. Wie graag zwijgt en geniet als hij bij vrienden is: zwijg en geniet in Zijn tegenwoordigheid. Wie graag met de beminde van zijn hart samen leest in een boek, of luistert naar muziek, of in stilte alleen maar graag samen wil zijn: doe zó met Hem. Wie graag spreekt of schrijft of zingt of tekent over wie hem lief is: spreek en schrijf en zing over Hem. Wie veel denkt over wie hem lief is: denk, studeer, mediteer over Hem. Wie graag de geheimen weet van het hart van zijn beminde: verdiep u in de geheimen van dit mysterievolle Hart. Wie graag de theorieën kent van zijn vriend, zijn principes, zijn overtuigingen: lees in het Evangelie Zijn onvergelijkelijk diepe en verrassend heldere uitspraken. Wie graag geeft aan wie hem dierbaar is: geef veel aan Hem. Wie graag offert aan wie hem lief is: offer veel voor Hem. Wie graag lijdt voor zijn beminde: wees stil en zwijg het: maar lijd voor Hem. En wie geneigd zou zijn zich helemaal te geven, woordeloos, vastberaden, met gesloten ogen, onvoorwaardelijk: geef u aan Hem. En weet dat Hij alléén van een totaalovergave geen misbruik zal maken. Want zich aan iemand geven, volledig, met wensen en gedachten, in een absolute ziele-overgave: dat kan men straffeloos alleen aan Hem.
Beminnen is vertrouwen: wie zich aan Jezus’ Hart overgeeft, hoeft niet bang te zijn. Men kan zich veilig aan Hem toevertrouwen. Men kan op Hem rekenen. En wie Hem liefheeft, doet dat.
Beminnen is ook: eerbiedigen. Jezus beminnen is Jezus eerbiedigen, en in eerbiedige schroom zich hoeden voor elke overtreding van Zijn wil of wens.
Iemand beminnen is ook: graag bij hem zijn. Jezus beminnen is: graag bij Jezus zijn. Graag Hem bezoeken in de kerk, graag zich met Hem verenigen in het Offer van de Mis en door de Heilige Communie. Graag denken aan Zijn tegenwoordigheid in ons, in onze ziel; blij zijn dat Hij bij mij wil zijn. Graag willen hetgeen Hij wil. Graag het eens zijn met Hem, graag één zijn met Hem.
Hem beminnen is: Zijn aanwezigheid zoeken in de andere mensen, Zijn vingerafdruk vinden in elk van Zijn schepselen.
Iemand beminnen is ook: vertrouwelijk met hem zijn. Jezus’ heilig Hart beminnen is: vertrouwvol met Hem omgaan.
Jezus beminnen is: geheimen met Hem hebben, vreugden aan Hem vertellen, verrassingen voor Hem verzinnen. Hem beminnen is: intiem met Hem zijn, innige woorden voor Hem hebben en voor Hem alléén; het binnenste van het hart jaloers voor Hem bewaren.
Jezus beminnen is: vast op Hem rekenen, in grote zaken, in kleine dingen; nooit twijfelen aan Zijn vergeving, nooit bang zijn voor wat Hij me ook wil geven. Want ik weet: Hij bemint mij, met een oneindige en eeuwige Liefde.
Iemand beminnen is: hem bewonderen en trots op hem zijn. Jezus beminnen is: Jezus bewonderen en trots op Jezus zijn. Jezus bewonderen om Zijn wijsheid en mildheid, Hem bewonderen om Zijn doorzicht en voorzichtigheid, Hem bewonderen om Zijn tact en Zijn sterkte. En trots zijn op Hem! Op zó een Koning, op zó een Vriend! Zo’n Bruidegom! Wie is rijker of machtiger dan wij? Met de almachtige God als beste Vriend? Wie wordt meer bemind dan wij? Want wij hebben Jezus en Hij heeft ons Zijn Hart geschonken!
Iemand beminnen is: blij zijn om zijn geluk. Jezus’ heilig Hart beminnen is: zich verheugen om de glorie en de vreugde van dit Hart. Zich verheugen, omdat Hij eindeloos gelukkig is in de liefde van de Allerheiligste Drie-eenheid.
Iemand beminnen is: hem de vreugde van het geven gunnen. Jezus beminnen is: Jezus laten geven, Zijn gaven met vreugde ontvangen, Hem de vreugde gunnen van goed te zijn en goed te doen aan ons.
Iemand beminnen is: op hem willen gelijken. Jezus beminnen is: op Jezus willen gelijken. Denken zoals Hij denkt, waarderen wat Hij waardeert, weten wat Hij kent, vergeven wie Hij vergeeft, genieten van Zijn vreugden, lief hebben wie Hij bemint. Leven van Zijn Leven…
Iemand beminnen is: aan iemand geven. Jezus beminnen is: aan Jezus geven. Hoe meer men bemint, des te meer geeft men: men geeft wat men heeft, men geeft wat men is, men geeft tenslotte zichzelf, zelfs ten koste van zichzelf. Zoals Hij deed. En dan lijkt het mensenhart op het Goddelijk Hart, dat het brandende braambos is van het Nieuwe Verbond.
Het Oudtestamentische braambos brandde, maar verteerde niet; het hield door zijn doornen de mensen op een afstand.
Het Nieuwtestamentische braambos staat ook in gloed zonder aan die brand nog te kunnen sterven. De vlammen slaan naar buiten; het Hart kan ze niet meer bevatten. En nooit houdt dit vuur op te zengen, omdat de brandstof der liefde onuitputtelijk is.
Maar de doornen verwonden nu het Godshart zelf..
Tweet